De zoete harmonieën van de The Siskins zijn nog maar net opgelost in de helderblauwe lucht na de Friese wandeling als Joost Oomen met verve een blok cement van zolder recht het publiek knalt. Figuurlijk dan. Hij begon zijn set met enkele nieuwere gedichten waarin het alledaagse en het absurde elkaar ontmoeten, een ontmoeting die hij haast teder uit de doeken doet. Het bouwt een spanning op tot bij deze ware Oomenklassieker elke toeschouwer de adem inhoudt, met het risico net zo paars te worden als Oomen zelf. Een daverend applaus klinkt na de gezamenlijke uitademing. Iedereen op het theeveld is wakker, alert en zoals presentatrice Lisa Weeda zegt: de zondag is nu echt geopend.

Met de poëzie van Arjan Hut en Anton Korteweg lijkt de intensiteit van deze krachtige opening weer even weg te vloeien, maar de aandacht van het publiek wordt door Annemarie Estor opnieuw opgepakt en meegevoerd naar vreemde maatschappijen. Ze leest gedichten voor die zich afspelen in de fictionele stad Orb-e-Grout, waar in het centrum Orb de rijken zich in zijden hemdjes voortbewegen en het vogelvrij verklaarde voetvolk in Grout zichzelf maar moet zien te redden. In deze tuin kunnen wij ons lid van beide groepen wanen: we zien het heldere weerkaatste licht waar Estor over dicht in dat kleine stuk hemelgewelf boven onze ommuurde tuin, maar voelen de UV-straling die er in Orb zo zorgvuldig uit is gefilterd. Hier maakt iedereen even deel uit van deze scifi-poëzie, zitten we tussen de bewoners van Grout als Estor dicht ‘Systeembeheerders telen tijm en steranijs […] gevallen yuppen worden imkers.’ In deze sprookjesachtige setting is even niemand wie hij is, en kan toch geen mens het laten haar buren op het theeveld af te speuren op de imkers. In haar poëzie brengt Estor verre werelden zo dichtbij dat ze zich achter de muur van de Prinsentuin zouden kunnen bevinden. Het is daarom extra genieten als Alexis de Roode in zijn gedichten ook de bomen en struiken om ons heen van nieuwe betekenis voorziet. Vooral het gedicht waarin hij de tweede week van Genesis beschrijft, waarin de overmoedige mens haar tuin overziet en de natuur naar haar hand zet, resoneert. Niemand zal vanmiddag nog een bij gedachteloos wegslaan na dit gedicht, waarin op de eerste dag na de tweede week de bijen dood in het gras liggen. Vandaag wanen wij ons een met onze tuin.

In de loofgangen vinden we soms een verlegen dichter, die inderdaad liever één zou willen worden met het loof. Het zijn de uitgesproken jonge vrouwen die tijdens dit blok opvallen, die de luisteraars meetrekken in hun wereld. Willemijn Kranendonk beschouwt in haar gedichten het lichaam van een afstand, zoekt naar de nabijheid van een moederfiguur, schetst verstilde beelden waarachter iets stormachtigs staat te gebeuren. Emma van Hooff blijft juist dicht bij het vrouwenlichaam en maakt het tot decor als een soort stadsstaat: ‘Onze vagina’s veranderen in kleine parkeergarages / de ene vinger een bmw de andere een rood busje / de duim een sleepwagen van de wegenwacht.’

De opener van het tweede blok op het theeveld steekt haast schrijnend af tegen de subtiele en doordachte beeldspraak die deze twee vrouwen al onderzoekend met ons delen. Atte Jongstra heeft van voorzichtigheid geen kaas gegeten, maar lichamelijk is zijn poëzie in elk geval wel. Schaamhaar en slechte adem passeren in vergelijkbaar gezelschap de revue. Niets voor mij, maar vooruit: de charme van Dichters in de Prinsentuin is juist de variatie in het programma. Gelukkig is mijn periode van ergernis van korte duur: Marc van der Holst weet met zijn gedichten en zijn droge vertelstem het publiek aan het lachen te brengen, Nicolaas Matsier krijgt het juist muisstil en haast in trance door steeds opnieuw raadselachtige beelden te scheppen die vragen om concentratie. Carmien Michels eist vervolgens die concentratie door gedichten tweemaal te lezen. Ze blaast iedereen omver met haar poëzie, straalt vanachter de microfoon en weet ieder hart in de Prinsentuin te laten synchroniseren als zij afsluit met een ouder slamstuk over de vluchtelingencrisis. Steeds slaat ze erbij op haar borst, neemt ons mee terug in de tijd, naar elke tijd waarin de ‘grensmensen, de ge-komt-er-niet-binnenhonden, de bye-bye haaien’ staan te wachten op wie zich nog aan de grenzen van Europa durft te vertonen.

In de loofgangen volgen er verschillende momenten waar de contrasten groot blijken. Dean Bowen staat naast Atte Jongstra – bij de eerste staat het publiek soms met de ogen dicht in opperste concentratie te luisteren, bij de tweede voert gegrinnik de boventoon. Het tempo van Joost Oomen gaat een venster verder over in de rust van Carmien Michels. Er klinkt Fries, Nederlands en hier en daar een Engelse zin, er klinkt gezang, een lokroep, een diepe zucht. Intussen ben ik in poëziefestivalmodus geraakt: waar ik kan, vang ik mooie zinnen op, en laat me verder overspoelen. Millenials als ik laten zich soms leiden door FOMO (Fear Of Missing Out), maar bij Tina van Baren hoor ik een betoog voor het vergeten en de rust: ‘zoek verstrooiing en leid jezelf voortdurend af.’ Die poëzie kan wonderen doen voor je kwalen, want ook Janine Eleveld geeft poëtisch advies: ‘Kies een plek buiten de waarschuwingsboeien om van tijd tot tijd te vervellen.’ Ik hoor daar vanmiddag in: geniet van de poëzie, maar geef het ook de ruimte om neer te slaan, oftewel, haal eens een ijsje bij het theehuisje.

Omdat het programma gevarieerd is, raak ik vol maar kan ik blijven snoepen van de prachtige zinnen waar de dichters mee strooien. En naar goed Hollandsch gebruik is er altijd nog wel een gaatje voor het toetje. Kees Spiering weet zijn poëzie zoet op te dienen, zoals alleen hij dat kan. Nostalgie en overdenking krijgen ritmisch vorm, zijn stem wiegt ons. Daarna deelt Gerda Blees met ons ‘een reeks verhalende, dramatisch aflopende gedichten,’ waarin de ik-persoon brieven schrijft aan B, verloren liefde. De zoete romantiek van Spiering wordt bijtender bij Blees. Elma van Haren swingt in haar voordracht door haar nieuwe bundel Zuurstofconfetti heen, hier gevaarlijk, daar weer lokkend. De Prinsentuin is na deze drie dichters in de middagzon op haar paradijselijkst.

Dan, ten slotte, betreedt Dean Bowen het podium. Hij vraagt het publiek na afloop van zijn voordracht pas te applaudisseren, niet tussendoor. Dan draagt hij poëzie voor, uit het hoofd, de volle tien minuten, die de tuin in een ander licht zet. Het gemak waarmee we het ons vandaag comfortabel hebben gemaakt, ons tevreden hebben gevoeld, ons hebben laten wiegen, dat wordt van ons weggestript. Je kunt niet luisteren naar de performance van Bowen zonder je medeplichtig te voelen aan onrecht, het is een blik op de nawerkingen van kolonialisme die iedere dag nog de aandacht eisen van mensen van kleur, maar waar het voornamelijk witte publiek van Dichters in de Prinsentuin zich niet elke dag aan stoot. ‘Ik mag niet vergeten wat jij verkiest niet te herinneren’, spuugt Dean uit. ‘Het is lang geleden, maar wij dragen nog altijd jullie namen.’ Er is zichtbaar ongemak in de tuin, geschuifel op de stoelen, het wegkijken op een telefoon. Deze poëzie maakt ongemakkelijk, het is een woedend antigeluid, een antigif waar je uitslag van krijgt tegen de witte machtsstructuren waar wij witte mensen allemaal nog steeds aan meedoen, hoe onbewust ook. De uitslag toont zich sterk op onze huid. Poëzie is er niet alleen ter vermaak. Er zullen vast mensen zijn die naar huis gaan en denken dat deze performance onnodig of te boos was. Tegen hen zou ik willen zeggen: wees blij dat een wereldtalent als Dean Bowen hier zijn hart uit zijn lijf zingt voor ons allemaal. Heb je er pijn van? Maak jezelf beter. Tijd om uit je tuin te treden, tot we allemaal zien dat het goed is.

Esmé van den Boom is masterstudent Writing, Editing and Mediating aan de Rijksuniversiteit
Groningen. In het academisch jaar 2016-2017 was ze Huisdichter van de RUG, in oktober 2017 kwam
haar bundel Zomerwee uit, die zij schreef ter gelegenheid van het Huisdichterschap.

Foto’s Reyer Boxem