Donderdagavond 30 januari is het al flink vol bij Godert Walter als ik ga zitten. Alle stoelen (ik kan het weten, ik ben sinds twee weken werknemer en heb ze naar beneden gesjouwd) zijn van boven gehaald, er is nog maar net ruimte voor een smal gangpad. Veel gasten zijn bekend met het evenement: Godert Walter organiseert de avond met Nedersaksische poëzie (en muziek) al een paar jaar. De sfeer is goed. De rijksoverheid voerde ooit een (ietwat vervelende) campagne met de naam “De Nederlandse taal verbindt ons allemaal”. Dat motto gaat duidelijk ook op voor het Gronings en haar neven en nichten, maar dan gemoedelijk en zonder het terechtwijzende vingertje. De avond is open. Iedereen keuvelt ongedwongen in het Gronings, het Drents, zelfs hier en daar is er wat Twents te horen. Ik, verwend kindje uit het midden van het land met de r ver achter in de mond, denk aan het begin niet mee te kunnen doen aan die viering van het dialect.

Erik Kweksilber, eigenaar van Godert Walter, heet iedereen welkom met een opgewekt woord over de kleine zelfstandige boekhandel, die in het licht van de huidige Polare-crisis alleen nog maar helderder straalt. Uit de zaal klinken instemmende geluiden (uiteraard met Groningse tongval).

Presentatrice Aly Freije stelt allereerst Klaas Duursma voor, een dichter die met zijn eerlijke taal (in dit geval het Gronings) de kleine dingen naar voren laat komen en aan het publiek laat zien. Net als de dichter na hem, Jan de Jong, die even ingetogen dicht. Met hier en daar een kleine pauze of een aarzeling – een enjambement in spraak bijna – klinkt het gevoel door in de eenvoudige woorden.

Dan is het de beurt aan Egbert Hovenkamp II, een dichter die de aandacht al trekt met zijn opvallende kleurrijke kleding en baard. De aandacht die zijn uitdossing krijgt, weet hij ook vast te houden met onder andere Ginsberg in Drenthe waarin een fictief bezoek van Ginsberg aan Drenthe wordt beschreven. Het gedicht dat in één ademtocht voorgelezen dient te worden, dat luisteraar en voordrager even sterk in trance kan wiegen op het ritme van de taal. Dat het Engels ook haar Nedersaksische oorsprong kent, is af en toe bijna voelbaar door de minieme afstand die Hovenkamp van de tekst houdt. Knap vertaalwerk, en een knappe voordracht.

Liedjesschrijver en zanger Bert Hadders verzorgt het muzikale intermezzo. Hadders zingt aanstekelijke nummers, maar het publiek komt pas echt los bij de Groningstalige Gospel Beloofde Laand– men stampt bijna met Hadders mee, en het refreintje zit binnen de kortste keren in het hoofd. Hier en daar wordt ook al meegezongen – zelfs door degenen die het Gronings niet machtig zijn (ondergetekende).

In de tweede helft vertoont als eerst Henk Puister zijn kunsten. Hij vult de ruimte tussen de boeken met zijn zachte voordracht in het Gronings. Af en toe een grapje tussendoor, gelegenheid om te lachen. Ook komt er enige reclame voor tijdschrift Krödde voorbij. De sessie zet zich voort met de enige vrouwelijke dichtter van het gezelschap, Nina Werkman. Ze durft wel, want zij heeft net als Hovenkamp vertaald. Werkman leest een aantal van haar vertalingen van Shakespear’s sonetten voor – haar humor en die van Shakespeare vallen samen in “My mistress’ eyes are nothing like the sun”, dat ze met een glimlach voordraagt.

Als laatste dichter is daar Hanne Wilzing, die de lach ook kan oproepen in zijn Groningstalige poëzie. Het blok wordt gesloten door Bert Hadders, die nog een liedje speelt.

Na afloop is er, zoals altijd, de gelegenheid nog even een wijntje te drinken (Of om een kroket te eten, wordt er geopperd), en dan moet iedereen snel weer door naar het Grand Theatre. Ik stap op de fiets met mijn hoofd vol vreemde klanken, die toch dicht op de huid blijven zitten. Het mooie aan bijvoorbeeld het Drents is, dat als je een woord hebt als “ruisend”, dat er nog veel meer zachte klanknabootsing plaatsvindt: “ruzzelnd”. Dichterbij kan een klank eigenlijk niet bij de ervaring komen – Waarom, vraag ik me af, waarom wordt dit niet gezien als een retrologisme? Een neologisme, maar dan als een deja-vu: het zijn de klanken die ik ken, die ik misschien zelf ook zo zou uitspreken toen ik klein was, maar die deze dichters van het dialect me helpen terug te vinden.

Egbert Hovenkamp II

 

 

 

 

 

 

Verslag: Esmé van den Boom. Foto’s: Maarten Praamstra

Retrologismen, of: verbonden in één ademtocht

Geplaatst: vr, 14 februari 2014