In oktober verscheen Fabriekspsalmen, Liturgie van een Suikerdorp. Het is het poëziedebuut van kunstenaar Johan van der Dong. Centraal staat Hoogkerk, het dorp waar Van der Dong opgroeide en een groot deel van zijn leven woonde. In eerder werk stond het dorp ook centraal.

Drie lange gedichten beslaan een groot deel van het boek. Twee ervan gaan over zijn ouders: zijn vader stierf in 1994 en zijn moeder in 2015. Al snel merk je dat het dorp ook een personage is. Het zijn gedichten vol herhaling en met terugkerende personen zoals een dominee, een fietsenmaker en de Suikerfabriek.

In het voorwoord van de bundel staat dat Van der Dong met zijn kunstprojecten mensen wil wakkerschudden en wie de bundel leest vraagt zich automatisch af of dat niet eens met Hoogkerk moet gebeuren. “Het is een dorp in conflict met de nieuwe tijd, dat is constant voelbaar. Op een gegeven moment kan je niet langer volhouden dat je een dorp in een stad bent. Je bent een stadswijk aan het worden. Een klein voorbeeldje: Hoogkerk staat niet meer in de telefoongids en toch zetten sommigen heel halsstarrig Hoogkerk achter de postcode. En dan is er de fabriek die zich steeds verder terugtrekt op zijn eigen terrein. Uit de samenleving verdwijnt. Vijftig jaar geleden werkten er twaalfhonderd mensen tijdens de campagne, nu honderdtwintig. De naam van de fabriek is verengelst. Het heet nu Cosun en daarvoor Suikerunie of CSR.”

Kind van het suikerdorp

“Het dorp was het eerste uitgangspunt. Mijn ouders en hun belevenissen nam ik er als stijlfiguren bij. Ze staan model voor de bewoners van het dorp. Mijn vader was een hele zachte man die zich geen raad wist met gevoelens. Hij werd door de Duitsers gedwongen tewerkgesteld in Duitsland en heeft er lijken moeten opruimen van slachtoffers van bombardementen. Hij was zo gesloten als een oester en toch heel sociaal. Mijn moeder was een vrouw die haar hele leven depressief was. Het gaat wat ver om te zeggen, maar er was sprake van een levenslange psychose.”

Van der Dong werd in 1962 geboren als jongste van vier kinderen. Hij woonde zo’n veertig jaar in Hoogkerk. “Het is een dorp dat mooi is in zijn lelijkheid. Er zijn in Hoogkerk best wel leuke plekjes aan te wijzen, maar de industrie overheerst. Je hebt er dus geen dorpskom, er is alleen een kanaal en de fabriek. Het is een dorp zonder fantasie, zonder creativiteit. Geen flauwekul en geen meroakels.”

Met zijn vrouw verhuisde Van der Dong naar Grijpskerk. Ondanks dat afscheid liet het dorp hem niet los. “Toen ik met dit boekje begon was ik al een jaar of vijf, zes bezig met tekeningen, over de industrie van Hoogkerk. Als je naar Strokartonfabriek De Halm kijkt, of naar de suikerfabriek zelf zie je ook mooie dingen. Door de belijning is die industrie mooi om te tekenen. De bundel is dan ook in een modern jasje gegoten. Zo staat er op de voorkant ook geen historisch plaatje, maar juist een abstracte tekening van een fabriek. Ik heb ook exposities gehad  in Amsterdam. Dat deed ik samen met collega kunstenaars uit Dublin, Londen en Antwerpen. Allemaal opgegroeid bij suikerfabrieken. Dat noemde ik Kinderen van het suikerdorp. Dat zijn we in wezen allemaal.”

Over een dood punt heen

“In de bundel staan mijn ouders ook een beetje voor het menselijke tekort. Mensen hebben zichzelf niet gemaakt, maar het zijn ervaringen die mensen maken tot wie ze zijn. Dat vind ik echt heel fascinerend. Vervolgens merk je dat ze zich niet los kunnen worstelen. De moeder van mijn moeder woonde bij ons in. Die vrouw had drie kinderen verloren en was hartstikke depressief. Uit compensatie is ze haar dochter gaan overbeschermen. Ik heb verhalen gehoord van mijn oudere broers en zus, oma kon een middag in de kelder zitten en dan hoorden ze alleen maar: bah, bah, bah.”

Evenals zijn ouders had Van der Dong ook grote tegenslagen te verwerken. De beroertes die hij kreeg spelen een grote rol in zijn kunstenaarschap. Twee dichtbundels die in eigen beheer verschenen gingen erover. “Als een gekooid vogeltje ging vooral over de fase dat ik in een rolstoel terechtkwam en in een kamer zat. Ik voelde me er machteloos. Ik had net een zware beroerte doorgemaakt en ik weet nog dat er een huisarts binnenkwam. En die man verstijfde helemaal. Hij was een beetje gereformeerd, heel erg christelijk en wist niet wat hij er mee aanmoest. Hij keek naar het plafond en ik zei toen ‘godverdomme, godverdomme nog an toe, ik kan niks.’”

“In revalidatiecentrum Beatrixoord had ik gesprekken met een creatief therapeut. Niet dat ik daar dingen hoefde te maken, ze wilden wel met me praten zodat ik weer ging creëren. Je denkt van ‘ik wil weer aan de slag, ik wil weer met mijn kunst bezig, maar ik zie nu geen mogelijkheid.’ De geest die wil, maar het lichaam wil niet.” Na thuiskomst probeerde Van der Dong het werk weer op te pakken.

“Mijn vrouw had me afgezet bij m’n atelier. Ik wou iets doen en kreeg een hele pot verf over me heen. Toen heb ik gedacht ‘wordt dit wel weer wat?’ Ik ben er heel verdrietig en boos weggegaan. Een paar weken later ben ik er weer gekomen en toen ben ik woedend geworden op mezelf. Ik ben iets in elkaar gaan zetten, Ik ben op de grond gaan zitten. Ik heb twee bielzen gepakt die ik eerder uit de waddenzee gevist had. En die heb ik in mekaar geramd tot een kruis en daar heb ik een wilgentak opgedaan en daar ook een bevestiging doorgeslagen. En het is net alsof ik toen over een dood punt heen geraakt ben.”

Johan van der Dong in zijn atelier

Debuut

Als kind schreef Van der Dong al gedichten. “Ik heb dat ooit een keertje, toen ik veertien of vijftien was, mijn moeder laten lezen. ‘Ah, dat kist doe nait, dat kist doe hailmoal nait, wat denkst doe wel nait dat doe dat kist, gooi die handel maar weg.’” De gedichten die hij daarna nog schreef bleven hierdoor ongelezen.

“Jaren geleden, zo rond 2004 of 2005, vond mijn vrouw een aantal gedichten van mij. En die zei ‘Johan, daar moet je wat mee doen, ze zijn prachtig, ze zijn mooi, ze zijn sprekend.’ En toen heb ik tegen haar gezegd ‘Ik schrijf ze en daarna leg ik ze weg.’ Ik ben beeldend kunstenaar en ik moet me echt daarop richten. Dan kun je geen dichter wezen. Dus weg. Achteraf gezien was het een soort halsstarrigheid. Mijn vrouw heeft me overtuigd door een paar keer te zeggen dat ik er ook wat mee moest doen.”

“Het is een debuut als je kijkt naar m’n vorige bundels die meer voor een intiemere kring waren. Dit is echt voor iedereen. Het sluit qua onderwerpen aan bij m’n werk en het is een nieuw verhaal. Ik wil In Grijpskerk, het vervolg, verder gaan met deze geschiedenis, maar dan met de invalshoek van mezelf. Daarin ga ik dat proces van afstand nemen, afscheid, een nieuw begin en die beroertes beschrijven, al die dingen gaan daarin een rol krijgen.

In het laatste gedicht van de bundel loop ik over het kerkhof: ‘Als ik over je kerkhof loop/ zie ik talloze bekenden liggen/ met allemaal anekdotes/ die door mijn hoofd schieten.’ Ik vind dat dit stukje geschiedenis niet verloren mag gaan. Die sfeer heb ik willen conserveren.”

Sinds oktober ligt Fabriekspsalmen, Liturgie van een Suikerdorp in de winkel. Het boek van Johan van der Dong is verschenen bij Uitgeverij Nobelman en is daar ook te bestellen voor €19,50,-

Voor deze interview reeks met debutanten spraken we eerder met Marjan Brouwers.

Maarten Praamstra

Auteursfoto: Suhaila Sahmarani

Kind van een suikerdorp

Geplaatst: di, 1 december 2020