Mathijs Sanders, hoogleraar Nederlandse literatuur aan de Rijksuniversiteit Groningen, leidde het interview met Esmé van den Boom en Hagar Peeters in met deze column. In Kamers en proeftuinen gaat hij in op de overeenkomsten tussen De schrijver is een alleenstaande moeder en Eigen kamers.

Dat vrouwen beter waren voorbereid op het schrijven van romans dan op het schrijven van gedichten was volgens Virginia Woolf goed te begrijpen. Voor de romanschrijver was het volgens haar goed mogelijk om het werk af en toe te onderbreken voor dagelijkse beslommeringen. Zo kon Charlotte Brontë het manuscript van haar roman Jane Eyre gerust even wegleggen, de aardappels schillen en gesprekken en karakters in de gemeenschappelijke zitkamer registreren, om enige tijd later weer haar pen op te pakken. De dichtkunst daarentegen vergde een uiterste aan concentratie. De voorwaarden om die te bereiken lagen lange tijd niet binnen het bereik van vrouwen. Van het grootste belang voor het schrijven van gedichten was wat Woolf ‘de poëtische houding’ noemde. Die houding impliceerde ruimte voor introspectie en het vermogen om de wereld objectief en nuchter waar te nemen, voorbij het spontane en persoonlijke. Dat alles berustte volgens haar op een materieel fundament: voldoende scholing, een bescheiden welstand, de nodige vrije tijd en ‘een plekje voor zichzelf in huis’. Aan het slot van haar essay ‘Women and Fiction’ uit 1929 waagde Woolf zich aan de voorspelling dat vrouwen in de toekomst – wanneer die poëtische houding zou zijn gerealiseerd – niet alleen betere romans zouden schrijven, maar zich ook zouden laten gelden in genres die in haar tijd nog vooral tot het mannelijke domein werden gerekend, te weten poëzie, kritiek en geschiedschrijving. Een belangrijke voorwaarde was dat ook vrouwen konden beschikken over een kamer voor zichzelf.

Bijna honderd jaar nadat Virginia Woolf A Room of One’s Own publiceerde kunnen we vaststellen dat haar voorspelling is uitgekomen, althans in ons deel van de wereld. In de Nederlandse literatuur van nu geven vrouwen de toon aan. Dat geldt zeker voor de poëzie. Dertien van de vierentwintig auteurs in het in 2016 verschenen boek Dichters van het nieuwe millennium zijn vrouwen en de meest spraakmakende poëziedebuten van de laatste jaren kunnen op het conto van vrouwelijke auteurs worden geschreven: Kalfsvlies van Marieke Lucas Rijneveld, Habitus van Radna Fabias, De grom uit de hond halen van Iduna Paalman en Eigen kamers van Esmé van den Boom, om maar vier voorbeelden te noemen. Voor deze dichters is de poëzie een proeftuin van de verbeelding, een ‘laboratorium van ervaringen’, zoals Hagar Peeters schrijft in haar gedicht ‘De proeftuin des levens’ uit haar nieuwe bundel De schrijver is een alleenstaande moeder. Daar is de dichter overigens een ‘hij’:

Hij haalt talloze experimenten met zichzelf uit om te ondervinden hoe hij daarop reageert.

Alles wat hem overkomt beschouwt hij als grondstof voor zijn onderzoek.

Hagar Peeters | Foto: Henk Veenstra

Dat dichterlijke onderzoek naar een raadselachtige werkelijkheid strekt zich uit binnen het eigen hoofd en in talloze werkelijke en imaginaire kamers. Esmé van den Boom en Hagar Peeters sluiten zich niet op in een ivoren toren, maar engageren zich met een ingewikkelde en veranderlijke werkelijkheid. In Eigen kamers – de poëtische verwerking van gesprekken met tientallen Groningse vrouwen over hun verwachtingen en angsten – horen we de stemmen van zij die een eigen kamer hebben gevonden of veroverd. Maar huis, kamer en tuin kunnen ook als een klem worden ervaren, zoals in het laatste gedicht van de afdeling ‘De scheefte’:

Kijk, hier zijn mijn muren dit zijn mijn ramen, dit is mijn licht hier besta ik niet voor een ander. Soms leef ik om alleen te zijn een avond, een middag.

Ik deel mijn jaren kinderen, man, een huis om op te knappen. Ze spreken mijn taal niet en mijn moeder kan ze onmogelijk verstaan ik tolk, leg mijn woorden neer als bestrating van de brug.

Maar ik ben geen eiland, eerder een veelkleurige lap in een deken tussen geel van pimpelmees en blauw van kinderoog groen van het land, van de taal die ik sprak met mijn ouders. De reeën springen over de hekken in mijn achtertuin waar ik vastzit

aan een ander zie je het scherpst tot waar ik groei en waar ik ophoud te bestaan.

Esmé van den Boom | Foto: Henk Veenstra

De ‘ik’ verlangt naar een kamer voor zichzelf, naar een ruimte waar zij alleen kan zijn, al is het maar voor ‘een avond, een middag’. Maar wat overweegt is het besef dat zij vastzit aan een ander, aan iemand die haar groei remt. Nergens wordt die ervaring pregnanter opgeroepen dan in het lange gedicht ‘In de kelder’ van Hagar Peeters. Aan het woord is Elisabeth Fritzl, de Oostenrijkse vrouw die 24 jaar lang door haar vader Josef gevangen werd gehouden in een kelder onder diens huis in Amstetten en zeven van zijn kinderen baarde: de ‘weerloze bakvis’ werd een alleenstaande moeder in een ‘betonomhulde stulp’.

Intussen hakte en houwde hij voor zijn dochter een haven als een eiland, een fijne kelderwoning: dat knappe meisje, dat op de leeftijd was gekomen om uit huis te gaan, zo verhinderde hij dat.

Het gedicht is een brief, gericht aan de dichter die haar relaas noteert in een andere kamer.

Jij, die dit schrijft, in je Weense appartement, staat wanneer het te gruwelijk is dikwijls op van dit gedicht om naar de linnenkast te lopen en te staren naar de voorbeeldig gesteven en op soort en grootte gerangschikte stapeltjes handdoeken en het beddengoed dat geurt naar lavendel en edelweiss, nooit eerder zag je zulke orde.

Twee dichtbundels, twee dichters die weten dat het leven niet maakbaar is (‘niet huilen, projectmedewerker’), maar wel leefbaar kan worden gemaakt. Poëzie kan ondoorgrondelijke gedachten omzetten in verstaanbare woorden, waarmee deze dichters de stemmen van talrijke vrouwen laten klinken naast ‘het nachtelijke geratel van de vadertaal’.

Mathijs Sanders | Foto: Henk Veenstra

Mathijs Sanders

Foto’s: Henk Veenstra.

Kamers en proeftuinen

Geplaatst: ma, 3 februari 2020