Begin dit jaar, in maart, werd de Duitse literatuur al uitvoerig gevierd tijdens de Boekenweek. Nog geen maand geleden werd de Nederlandse en Vlaamse literatuur gevierd in Duitsland, waar de lage landen samen gastland waren tijdens de Frankfurter Buchmesse. Hoe kan het dus ook anders dat op één van de mooiste literatuurfestivals die Nederland te bieden is, de uitwisseling tussen Duitsland en Nederland centraal stond.

En dat Duits, dat wil nog wel eens wat roestig zijn… (zeker bij uw verslaggeefster, die het vak op de middelbare school bij de eerste gelegenheid gretig liet vallen). Toch roept het publiek al aan het begin van de avond, bij Kristine Bilkau, dat het interview toch zéker in het Duits gehouden dient te worden. U vraagt, Christoph Buchwald draait. Draait allereerst een behoorlijk lange introductie van Bilkau af. Dat is jammer, want daardoor blijft er van het halfuurtje dat deze verrassende debutante gegund is niet heel veel meer over. Gelukkig herpakt het interview zich in het tweede kwartier, wanneer Bilkau ook in gesproken taal laat zien dat ze een virtuoos is, waar we nog veel meer van mogen verwachten. Door mijn roestige Duits moet u het in het Nederlands tot zich nemen, maar toen haar werd gevraagd of het idee voor haar populaire en indringende roman De Gelukkigen uit de lucht kwam vallen, antwoordde ze met ontspannen lach: “het kwam niet uit de lucht vallen, maar het hing er al wel in.” Misschien dat we Bilkau over een paar jaar met poëzie in de Prinsentuin mogen verwelkomen?

Na Bilkau pak ik nog een krappe tien minuten Tonnus Oosterhoff mee in de Wolters-Noordhoffzaal. Hij maakte met zijn voorleeskunsten al grote indruk op mij als gast tijdens een lezing van RUG-gastschrijver P.F. Thomése. Ook nu zit het publiek in bijna-trance te luisteren naar die opeenvolging van anekdotes, grapjes, gesamplede tekstjes en opsommingen waar het Beste Groninger Boek Op de Rok van het Universum uit bestaat. Dit boek vraagt erom voorgelezen te worden, en de auteur en dichter doet dat op immer charmante en bescheiden manier. Met recht Groninger trots, onze Tonnus.

Ik kan in de zaal blijven zitten voor het gesprek over Josepha Mendels met biografe Sylvia Heimans en Roos van Rijswijk. Maar: dit zou Het Grote Gebeuren niet zijn als ik tijd had gehad om ook daadwerkelijk even te blijven zitten. Nee, er moet gepuzzled worden met poëzie, er moet snel even bijgepraat worden met tout literair Groningen, er moet een gejatte olijf naar binnen worden gewerkt. Zoals altijd is het programma weer bomvol. Met de mond halfvol olijf schuif ik aan bij het gesprek over Mendels, en reken mij gelukkig dat ik niet bij de wijnbar ben blijven hangen! Deze niet-nette dame, zoals biografe Heimans haar beschrijft, is zeker een schrijfster die ik moet ontdekken. De herontdekking hebben wij onder andere te danken aan Eva Cossee, die snel even het podium op wordt geroepen. Ze vertelt een prachtige anekdote over de boekenkast van haar moeder, die zij na het overlijden van haar ouders uit moest ruimen. Daar viel haar oog op onder andere Josepha Mendels. Cossee blijkt haar neus voor het juiste boek niet van een vreemde te hebben: na lezing van de werken die bij moeder in de kast stonden, kwam al snel de vraag wat er eigenlijk nog meer voor vergeten parels, rijp voor de heruitgave, in die kast hadden gestaan.

Het werk van Mendels blijkt zich vooral te kenmerken door autobiografische aspecten. Dat haar leven een aaneenschakeling van interessante gebeurtenissen was, weten Heimans en Van Rijswijk op fantastische wijze aan het publiek te vertellen. Interviewster Annette Timmer is bijzonder goed voorbereid, maar weet zich wel mijn ergernis op de hals te halen door de jaren-50-mentaliteit, waar Mendels zich nou juist zo aan ontworstelde, terug te brengen tijdens het gesprek: “Josepha had toch steeds maar weer relaties met getrouwde mannen, wat zegt dat dan over haar persoonlijkheid?”; “Ze had een relatie met de víerentwíntig jaar jóngere Simon Vinkenoog!” In de jaren vijftig zijn de romans van Mendels al voldoende in de weg gezeten door haar vrouw-zijn, anno 2016 mogen de male gaze en de slut shaming echt wel overboord (en liefst gekielhaald).

Ik vrolijk enorm op bij feministisch boegbeeld Renate Dorrestein, die zich overigens niet over het feminisme uitspreekt vanavond. Wel weet ze het publiek volledig voor zich te winnen met verhalen over haar writer’s block, haar literaire peetvader Kurt Vonnegut, Almere als reddende engel en met onvergetelijke uitspraken als “als je nog nooit hebt gedacht ‘jou steek ik dood’, dan heb je nog niet voldoende geleefd.” Schrijven over de mens op de rand van de waanzin, daar leren we over. En de schrijver dan? Dorrestein zegt “ik ben ervan overtuigd dat je een beter mens wordt van het schrijven van een dagboek”, waarop interviewer Jurgen Tiekstra (die overigens in tegenstelling tot Timmer bijzonder slecht voorbereid leek en het gesprek niet soepel liet verlopen) vraagt “en doet u dat ook?” “Nee! Ik moet mezelf natuurlijk niet bederven als schrijver.” De zaal smult ervan. En terecht, na de smakelijk voorgelezen passage uit Zeven soorten honger.

Daniel Kehlmann, die een dag eerder nog 1200 mensen toesprak tijdens zijn (werkelijk fantastische) Van der Leeuw-lezing, trekt ook vandaag weer een volle zaal. Of ligt dat aan interviewer Arnon Grunberg? Hoe dan ook, de heren houden in vloeiend Duits een prachtig gesprek waarvan ik moet bekennen dat ik het zo laat op de avond niet meer helemaal kon volgen.

Gelukkig voel ik mij niet alleen in mijn verdwaling in vertaling: de jonge dichters van Grenzprozess, waar ik de avond mee afsluit, leveren een snijdend commentaar op de vluchtelingencrisis, maar spelen ook met taal en vertaling. Wat betekent het eigenlijk, een andere taal spreken? Een andere cultuur hebben? Waar en waarom ligt er eigenlijk een grens? Het is een vraag die vanavond al eerder impliciet naar boven is gekomen, maar die door de voorstelling soms op pijnlijke wijze aan de kaak wordt gesteld. Vooral Mariya Nikolova, die de gehele voorstelling met haar rug naar het publiek op een typemachine tikte, maakt als ze zich omdraait een verpletterende indruk met haar gedicht “Natalie’s story”. Na afloop is er de gelegenheid voor publiek om vragen te stellen, maar mooier nog is dat er een bundeltje wordt uitgedeeld met de gedichten die speciaal voor deze voorstelling zijn geschreven. Natuurlijk draait zo’n literatuurfestival om de ervaring, maar de goedgevulde boekentafel (die aan het einde van de avond beduidend leger was) doet al wel vermoeden dat men alle schrijvers die we vanavond zagen graag ook meenemen, onze huiskamers in.

Esmé van den Boom studeerde Nederlands en Engels aan de Rijksuniversiteit Groningen. In het academisch jaar 2016-2017 schrijft ze maandelijks een gedicht als Huisdichter van de universiteit. Verder is ze Masterstudent Writing, Editing and Mediating, organiseert ze poëziewedstrijden bij het Poëziepaleis, zingt en schrijft ze liedjes onder de naam Mees en leest ze aan één stuk door boeken.

Foto’s: Henk Veenstra

Het interview met Renate Dorrestein is opgenomen en kan via deze link beluisterd worden.