Het is nog vroeg in de avond als Jonathan Griffioen en Roelof Ten Napel met interviewer Theo Hakkert om de tafel zitten. We bevinden ons bij Het Grote Gebeuren in de Groninger Forum bibliotheek, een avond vol proza, poëzie en interviews met de auteurs hiervan. De rijen zijn lang en alle oren zijn gespitst. Ten Napel en Griffioen kennen elkaar al, omdat ze allebei hebben meegedaan aan Write Now! Griffioen draagt het gedicht Wijk voor uit zijn bundel, een ode aan zijn geboortestad Wijk bij Duurstede. De interviewer vraagt of de titel van het gedicht is gekozen als metafoor voor alle wijken. Dit blijkt niet zo te zijn; Wijk is simpelweg de gebruikelijke afkorting voor mensen die er wonen. Ondanks dat de stad verre van utopisch wordt neergezet, hoor je in zijn woorden toch nostalgie; soms verveelde hij zich er te pletter, maar hij verveelde zich thuis. Verveling als activiteit vindt Griffioen eveneens fascinerend en soms zelfs fijn. Hoe zeldzaam is het om ergens te staan en niks te doen! Het straalt een eigenzinnige boodschap uit, meent hij: het kapitalistische systeem interesseert je niks, daarom draai je er niet in mee. Hij hangt regelmatig in de stad rond als een soort “buitenmenselijk wezen” dat de anderen observeert.

Het boek dat Ten Napel heeft uitgebracht, is moeilijk in een genre te plaatsen; er staat proza in, poëzie en ook stukjes die er tussenin vallen. Hakkert noemt het een autonoom werk. Ook brengt Griffioen de sterke uitspraak “Als je iets poëzie noemt, dan is het dat” naar voren. Hierover zou een interessante discussie gevoerd kunnen worden, maar vanwege de tijd wordt die begrijpelijkerwijs niet aangesneden.

Griffioen is momenteel een idee aan het uitwerken voor een verhalenbundel. Dit wordt echt proza, dat is de meest open optie aangezien hij nog niet goed weet hoe hij precies vorm zal geven aan zijn ideeën. Hij wil de overstap naar proza maken om iets nieuws uit te proberen; bij poëzie ben je bijna constant bezig met het formuleren van kernachtige zinnen, terwijl er bij proza veel meer ruimte is voor wijdlopigheid.

De tweede lezing die ik volg die avond, is het interview met Frank Witzel door Peter Groenewold. Witzel zit er ontspannen bij en zijn schoenen ogen grappig genoeg helderpaars in het licht van de schijnwerpers. Zijn roman Hoe een manisch-depressieve tiener in de zomer van 1969 de Rote Armee Fraktion bedacht is onlangs in Nederlandse vertaling verschenen, een fors boek met een al even forse titel, dat de Deutscher Buchpreis 2015 won. Zelf werd Witzel door zijn eerste plaats nogal door verrast. Aangezien zijn boek nogal dik is en niet in het rijtje van de andere favorieten paste, had hij er niet op gerekend.

De lezing vindt plaats in het Duits, wat het publiek grotendeels kan volgen, al hoor je soms een beetje gesmiespel over de betekenis van een woord. Opvallend is dat er weinig jonge luisteraars zitten – misschien omdat ze zich niet voor Duitse literatuur interesseren; misschien omdat ze de taal niet spreken of om beide redenen. Interviewer Groenewold is duidelijk een hoogleraar – hij deinst niet terug voor provocatie en zonder zich hier waarschijnlijk bewust van te zijn, laat hij blijken dat hij over een grote dosis voorkennis van de Duitse literatuur en geschiedenis beschikt.

De hoofdpersoon is dertien en bedenkt in het jaar 1969 iets wat later de Rote Armee Fraktion zal worden. Daaromheen verweeft Witzel verschillende maatschappelijke invalshoeken met blik op de nazitijd. Door dit naast de hoofdpersoon aan het licht te laten komen, wil Witzel in zijn boek de Duitse mentaliteit van de jaren ‘60 en ‘70 laten zien, waarvan het te boven komen van het oorlogsverleden een groot deel uitmaakt.

Bijzonder is dat Witzel voetnoten en een register met steekwoorden in zijn boek heeft bijgesloten. Hiermee wil hij bewerkstelligen dat er een wetenschappelijke blik op de literaire context wordt geworpen – het leest daarmee heel anders dan een roman, al is het dit wel.

Het schrijven ervaart Witzel als een constante ontwikkeling – waar wil hij heen in zijn volgende werk? Hij moet zijn eigen weg zoeken, net als de personen over wie hij schrijft. En net als zijn hoofdpersonen moet hij alles wat hij weet combineren tot een nieuw idee.

Net als Ten Napel en Griffioen begint schrijver H.M. van den Brink zijn interview met een voorleesfragment. Het fragment komt uit zijn roman Dijk, die begin dit jaar uitkwam en goed ontvangen werd. Annette Timmer, omschrijft het als een prachtig “oudemannenboek”. De hoofdpersoon is een naamloze zestiger die werkt voor Metrifact, een bedrijf dat test of de door ons gebruikte maatstaven zoals meters en kilo’s wel kloppen. Hij moet een speech schrijven voor het afscheid van zijn collega Dijk, maar komt erachter dat hij deze collega eigenlijk helemaal niet kent. Dijk schijnt de belichaming van het ijkwezen te zijn waarin hij werkt, maar blijkt al snel helemaal niet de ordelijke collega te zijn die hij leek. Het boek is een spel met ruimte en tijd – in dezelfde ruimte wordt er gevarieerd met verschillende mensen en soms voelen de personen die al dood zijn, veel reëler aan dan de levenden. In de discussie komen nog andere leuke weetjes over tijd terug, zoals bijvoorbeeld dat tijd gelijk staat aan de langste afstand tussen twee plaatsen, of dat de maatstaven kilo en meter, afgeleid van de meridiaan tussen Barcelona en Duinkerke, eigenlijk helemaal niet kloppen. Eén van de personen die hiernaar onderzoek deden, heeft een fout in zijn metingen gemaakt, en de ander heeft dit simpelweg zo gelaten. Van den Brink heeft zijn roman naar eigen zeggen met wellust geschreven, omdat hij het heerlijk vindt om terug te gaan naar de tijd waarin het boek zich afspeelt. Dat betekent niet dat hij nostalgie voelt – de tegenwoordige tijd ziet hij in veel opzichten als beter.

Als laatste bezoek ik Daniël Kehlmann, die door Arnon Grunberg wordt geïnterviewd. De kelder, waar het gesprek plaatsvindt, zit tot aan de deur vol met toehoorders. Onderwerp is zijn meest recente novelle Je had moeten gaan. De hoofdpersoon, zo valt als eerste op, houdt een notitieboekje bij omdat hij, een middelmatige komiek, schrijver wil worden. Hij komt er gaandeweg achter dat het spookt in zijn woning. In eerste instantie hoopt en denkt hij dat het een droom moet zijn geweest, zoals in films ook de goedkope truc uitgehaald wordt dat alle belevenissen uiteindelijk een droom blijken te zijn geweest. Maar het is de werkelijkheid – geesten zijn echt. Daardoor kan de hoofdpersoon veel moeilijker het onderscheid maken tussen fictie en realiteit en wordt de lijn tussen gezond verstand en waanzin steeds dunner. De hoofdpersoon probeert tot aan het einde zijn dochter te beschermen voor de geesten in het huis. Deze bescherming van hulpeloosheid en het feit dat de hoofdpersoon als ouder toeziet hoe zijn kind in gevaar komt, is de emotionele kern van het boek. Ouders hebben namelijk alles over voor hun kind.

Om terug te komen op de verschillende manieren van schrijven benadrukt Kehlmann dat de bezigheid met kunst het vertrouwen toont in het maken van iets buitengewoons. Als je dat niet zou geloven, zou je er immers niet aan beginnen. Daarmee is schrijverschap een weddenschap met die gedachte. Een dijk van een afsluiter voor deze veelzijdige avond, waar de bezoekers ongetwijfeld van hebben genoten.

Rachel Raetzer (21) is derdejaars studente Europese Talen en Culturen. Ze maakte dit jaar en vorig jaar deel uit van de hoofdredactie van Literair Dispuut Flanors verenigingsblad,Literatief. Daarnaast schrijft ze gedichten, waar ze mee optreedt.

Foto’s: Henk Veenstra