Slaggroningen.nl stuurde dit jaar een drietal verslaggevers naar Het Grote Gebeuren om inhoud en sfeer voor ons te beschrijven. De verslagen die ze maakten zullen de komende dagen online verschijnen. Het eerste verslag is van Jan-Willem Dijk, dichter en student aan de Schrijversvakschool Groningen.

Het programma begon in de Wolters Noordhoffzaal met de uitreiking van Het beste Groninger boek. Aangezien een aantal genomineerden afwezig waren en er geen dankwoorden werden uitgesproken volstaat hier het noemen van de winnaars. In de categorie fictie was dat Auke Hulst met Kinderen van het ruige land. In de categorie non-fictie won Barbara Stok met haar stripverhaal Vincent, over de periode van Van Gogh in Zuid-Frankrijk.

Het trappenhuis

Na de uitreiking vertrok ik naar Het Trappenhuis, waar de trap als tribune fungeerde en schrijvers als Joost de Vries, Shira Keller en Ellen Deckwitz voordroegen uit eigen werk. Joost de Vries las voor uit zijn nieuwe roman De republiek. Hoewel soms moeilijk te verstaan door het rumoer zorgde hij bij mij voor voldoende nieuwsgierigheid, zodat ik het boek iets later op de avond aanschafte bij de Polare-stand, inclusief persoonlijke boodschap van de schrijver: ‘Keep it real!’ Ik ben benieuwd.
Verstaanbaar zijn is iets waar Ellen Deckwitz weinig moeite mee heeft. Zoals vaker probeerde ze ook nu het publiek bij haar optreden te betrekken. Een mannetje of twintig mocht onderwerpen aandragen waarop de dichteres zou inhaken. De onderwerpen liepen uiteen van Disneyprinsessen tot prostaatkanker. Meest interessant was een verhaal dat ze uit haar hoofd voordroeg over door incest dyslectisch geworden papegaaien die boodschappen rondvliegen in een dorp zonder stroom. Toen de tijd om was riep Ellen: ‘Jeej!’

Leescafé Belcampo

Door andere optredens heb ik helaas weinig van de sprekers in het Belcampo Leescafé kunnen bewonderen. Wel was ik aanwezig bij het optreden van Bert Wagendorp, die voorlas uit zijn succesroman Ventoux. Hij las onder andere een passage voor over de vrienden die aan de vooravond staan van hun beklimming van de Mont Ventoux. Ze staan aan het graf van een oude kameraad die jaren eerder op de berg overleed en trekken, zonder al te veel sentiment, een wielrenshirt over de steen van de overledene. Het shirt past uitstekend; zelfs het bovenste gedeelte van de steen, het stuk waar het wat smaller wordt, past precies door de halsopening. Er zaten zeker 80 mensen geïnteresseerd te luisteren toen de tijd al weer om was en Wagendorp er een einde aan moest breien. Maar er waren genoeg aanwezigen die hem nog een half uurtje langer gunden.

De eeuwige jachtvelden

Interviewer Louis Stiller voerde later op de avond een mooi gesprek met boekhandelaar Albert Hogeveen en schrijver Wouter Godijn over Nanne Tepper en zijn werk. Zeer boeiend was het om te horen hoe de jonge Tepper leefde voor het maken van kunst. Volgens Hogeveen kon hij niet anders: ‘Hij werkte vanuit zijn gekte, zijn demonen en hij creëerde de eeuwige jachtvelden in zijn hoofd, waaruit de kunst ontstond die tegelijkertijd zijn minnares leek.’ Dat Tepper een hekel had aan al die bobo’s in de literatuur en daar geen deel van wilde uitmaken verwoorde hij prachtig tegen Hoogeveen: ‘Ik ben een veenkoloniale bink met haar op de borst en een lul als een leverworst.’ Er werd hard gelachen en naast mij trok een van de vrijwilligsters een vies gezicht.

Denkend aan Groningen

De mooie avond vol literatuur werd afgesloten door het ‘debat’ Denkend aan Groningen. Ellen Deckwitz, Dirk van Weelden, Erik Nieuwenhuis en Bert Wagendorp gingen in gesprek over hun tijd in Groningen. Het leverde mooie verhalen op. Deckwitz droeg weer een aantal gedichten uit haar hoofd voor. Iets later genoot ze zichtbaar en at een schaal nootjes leeg toen Nieuwenhuis vertelde over werken naast het schrijven, wat in zijn jaren not done was. ‘En als je het al deed vertelde je het niet aan die gasten met zwarte leren jackies die voor de Vera hingen.’ Wat Dirk van Weelden in Groningen leerde was zijn eigen initiatieven in de praktijk te brengen. Zo richtte hij samen met wat medestudenten het blad Filospeed op. Ze vatten filosofieboeken van filosofen waar volgens hun te weinig over werd gesproken samen in 1 op 10. Van 300 pagina’s naar 30 dus, en die verkochten ze voor een gulden.
De sfeer was goed, er werd gelachen, gedronken. Jonge en gearriveerde schrijvers spraken met elkaar en van onderscheid tussen publiek en artiest was weinig te merken. En o ja, een enkeling waagde een danspasje of twee.

Jan-Willem Dijk

Het Grote Gebeuren: “Ik ben een veenkoloniale bink met haar op de borst en een lul als een leverworst.”

Geplaatst: ma, 4 november 2013