Het is vijf uur en het is warm. In de bibliotheek lopen de vrijwilligers zich koelte toe te wapperen met blauwe flyers met een aantrekkelijke man met baard erop, en de naam van het festival waar we vanavond voor aan de slag gaan: Het Grote Gebeuren. Wie de baardige man van de flyers vanavond verwacht, die heeft het bij het verkeerde eind. Wie tout literair Nederland verwacht, heeft nog drie spannende uren te gaan voor het zover is.

Of twee. Om zeven uur begint het al aardig vol te lopen. In de foyer fluistert een dame tegen haar vriendin: “Ik dacht dat ik een kennis van mijn dochter zag, maar ik ken hem van TV!”. En inderdaad, Thomas Heerma van Voss zit aan een tafeltje en Adriaan van Dis wandelt ook gewoon door de gangen van de bibliotheek. Het zet meteen de sfeer voor de avond: Hier zijn lezers en schrijvers samen om zich eens goed te vermaken en (of misschien door) te praten over literatuur.

Thomas Olde Heuvelt, die uitstekend wordt geïnterviewd door de jonge Groningse dichteres en schrijfster Lilian Zielstra, is misschien een wat vreemde eend in die bijt. De schrijver, wiens verhalen en romans vaak tot het genre fantasy of horror worden gerekend, schaart zichzelf liever bij de magisch-realisten. Er ontstaat een interessant gesprek over de status van fantastische verhalen in het Nederlandse taalgebied. Olde Heuvelt is met een Honourable Mention (Gedeeld met Carlos Ruiz Zafon!) in de prestigieuze Amerikaanse Hugo Awards en vele andere prijzen de aangewezen persoon om die status te veranderen. Wanneer hij geanimeerd vertelt over de route naar die awards (Prijzengeld van een vorige award investeren in een vertaling, lobbyen op een beurs in Brighton, de rechten verkopen en daarop netto 3 euro en 50 cent verdienen na de hele escapade) krijgt hij het publiek met gemak op zijn hand.

Het gevarieerde programma wordt festivalgangers snel duidelijk als ze zoals ik doorrennen naar de zogenaamde “debutantentrap”, waar debuterend interviewster Lieke van den Krommenacker Roman Helinski, Mano Bouzamour en Mohammed Benzakour interviewt, drie heren die van het Letterenfonds een beurs ontvingen om te werken aan hun tweede roman. Ze staan er wat ongemakkelijk bij, met zijn drieën in het hoekje, en toch had er meer saamhorigheid kunnen zijn: hun boeken vertellen alle drie het verhaal van ouders en afkomst. Door de drie compleet verschillende types blijft het interview wel fris. Benzakour lacht haast verontschuldigend als hij vertelt over zijn moeder, het onderwerp van zijn roman Yemma: “Het is een boek geboren uit liefde”. Bouzamour lacht een beetje brutaal maar charmant als hij vertelt dat zijn ouders hem niet meer wilden spreken na publicatie van zijn boek, maar nu bijdraaien: “Ik neem de telefoon niet op, ze bekijken het maar”. Roman Helinski lacht met zelfspot en verlegenheid als hij vertelt hoe zijn zelfbeeld gebouwd was op de verhalen die zijn vader hem vertelde. Het is misschien niet voor niets dat Benzakour grapt dat je een ongelukkige jeugd nodig hebt om te kunnen schrijven, maar de drie zijn gelukkig inmiddels bezig aan een nieuwe roman, waar ze naar eigen zeggen voor nodig hebben: a) een huisje met een wijdse blik (Benzakour), b) veel plezier (Bouzamour) en c) tijd om te schrijven. Die laatste tip komt van Helinski, die vertelt dat hij ooit per ongeluk een personage twee keer doodschreef, omdat hij steeds in de late uurtjes zijn schrijfwerk deed. Uiteindelijk heeft hij daar geen spijt van: “Dat was wel mooi, want toen kon ik kiezen uit twee manieren om die persoon te laten doodgaan”.

Het is na het beluisteren van twee interviews ter lering en vermaak wel even tijd voor vermaak op zich, en kletsen. Met al die literatuurliefhebbers om je heen, kun je in feite met iedereen wel een gesprek aanknopen. Over de keuze voor een literaire quote op je arm bijvoorbeeld, je favoriete woord, je favoriete literatuurstroming. Of je kunt natuurlijk plaatsnemen in de kappersstoel van de literaire kapper voor een praatje en een fabuleuze coupe in vijf minuten. Een gouden zet, want na een paar uur festival ziet de bibliotheek eruit alsof er een groot gala gaande is. Je kunt het nauwelijks helpen om met een enorme glimlach rond te lopen als je al die mooie mensen om je heen ziet.

Na een lekker wijntje en olijven is het weer tijd voor een goed gesprek, ditmaal tussen vertalers. Piet Gerbrandy, Edzard Krol, Hilde Pach en Erik Bindervoets vertellen over het wel en wee van de meest extreme lezer. “Waar ik naar zoek”, zegt Gerbrandy, “is het gevoel dat de auteur je best vriend is geworden”. Bindervoets zegt zich op een gegeven moment vergroeid te hebben gevoeld met James Joyce. Dat zou ik zelf niet nastreven, maar zulk innig contact met een tekst, dat wil elke lezer wel. Pach merkt op dat vertalen altijd een zaak van verantwoordelijkheid en vertrouwen is, en iedereen knikt. Allemaal zijn ze het oneens met het Italiaanse gezegde “Traduttore, traditore!” (Vertaler, verrader!): Een vertaler staat in dienst van de tekst die hij of zij vertaalt. Maar vertalen betekent ook moeilijke keuzes maken. Dat zie ik terug wanneer Jan Rot aansluitend op de vertalerslezing een optreden geeft met onder andere een vertaling van Fire van The Pointer Sisters. “… je test mijn vering. Maar als je kust, oooeee… Tering!”. Het publiek zingt uitgelaten mee, de sfeer is goed, het is knap gevonden maar ik ben er niet van gecharmeerd.

Waar ik wel van gecharmeerd ben, en met mij de rest van de aanwezigen: broeder Dieleman. Het is zijn tweede optreden vanavond, maar het is even overweldigend en prachtig als het eerste. Dieleman sluit af met het nummer Gloria, dat hij zonder begeleiding van gitaar en zonder microfoon zingt. “Er is genade genoeg, voor iedereen”. Op blote voeten loopt hij door het gangpad, tussen het publiek. Zonder verlegenheid, zonder ijdelheid, als is juist, volgens de titel van zijn plaat, alles ijdelheid.
Als iedereen naar huis is rond half twee en wij staan te vegen en te dansen, hebben we het nog steeds warm. Als ik de volgende middag wakker word, is het warme gevoel nog steeds niet weg. Met zo’n mooi weekend in mijn herinnering kan ik de werkweek wel weer aan.

Auteur: Esmé van den Boom studeert Nederlands en Engels aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze is voorzitter van Literair Dispuut Flanor en schrijft en zingt Nederlandstalige liedjes onder de naam Mees.