Vorig jaar was het voor het eerst dat Het Grote Gebeuren in een nieuw jasje gestoken werd en slechts op avond in de Openbare Bibliotheek plaatsvond. Tot mijn grote blijdschap is er aan dat concept voor de tweede editie weinig gesleuteld. Het was daarom een thuiskomst: dezelfde hoekjes en zalen als het jaar ervoor, net zulke goede catering én even leuke randprogrammering, waaronder een literaire kapper waar ondergetekende zich een fout jarentachtigkapsel aan liet meten.

Nadat ik ’s middags de uitreiking van het beste Groninger boek had bijgewoond is het ’s avonds als eerste tijd voor Willem Frederik Hermans. Altijd goed, zo blijkt uit het programmaonderdeel Hermans hield van Groningen. Rense Sinkgraven is de gespreksleider en dat is niet zo vreemd: hij heeft zich namelijk ingezet om de typemachines van Hermans naar Groningen te halen, tevergeefs helaas. Hij gaat in gesprek met Margaretha Nauta, Bert Broekschoten en Hermans-biograaf Willem Otterspeer. De drie gaan vooral in op of Hermans een vriend zou kunnen zijn of vriendschappen zou kunnen onderhouden. ‘Ik bedoel het niet zo goed met de mensen’, moet hij eens gezegd hebben. Maakt hem dat onmenselijk? Nee, zegt Broekschoten: hij was als paleontoloog beroepsmatig betrokken, maar een vriend is hij nooit van Hermans geweest.

Wanneer er frasen als ‘vriendschap is daar waar de politiek de literatuur snijdt’ gebezigd worden, verzandt het gesprek wat in moeilijke, filosofische aforismen. Gelukkig is dat maar op een paar momenten het geval, want wat vooral opvalt, is dat de drie sprekers allen een ander beeld van Hermans hebben. Broekschoten vanuit zijn metier, Otterspeer vanuit een overkoepelende houding. Hij kent Hermans vooral als een keiharde. Zijn kwetsbaarheid uit hij in agressie. Hermans blijkt en blijft een intrigerend persoon, zo komt naar voren in het gesprek. Helemaal als Otterspeer een scoop heeft: Hermans zat aan de lsd zonder dat het al te veel effect had. En het was niet zo dat het gebruik in de context van een bacchanaal was. Het experimenteren vond onder laboratoriumvoorwaarden plaats, zo vertelt Otterspeer. Weer iets om naar uit te kijken in het tweede deel van de Hermans-biografie.

Na dit onderdeel laat ondergetekende de kam, gel en scheepsladingen haarspray over zich heen komen alvorens naar een aantal debutanten te luisteren die door Lieke van den Krommenacker ondervraagd worden. Het gaat om de debuten van Ilse Bos, Pauline Genee en Elisabeth van Nimwegen. Allen hebben niet echt een literaire achtergrond (respectievelijk journalist en onderwijzeres, werkzaam bij Buitenlandse Zaken, actrice) en daardoor lijkt niets een interessant gesprek in de weg te staan. Dat blijkt een domper, want het gesprek blijft redelijk vlak.

Beter zou het zijn als er maar één geïnterviewde is. Dat is jammer, want het gesprek slaat gauw dood en is hier en daar ongemakkelijk. Nu gaat het vooral over vriendschap in de drie debuten: bij Van Nimwegen haar debuut gaat het dan om een bloedband met vaginaal vocht. Bij Genee is het wat braver: een paard staat in haar boek centraal, maar niet op een clichématige manier. Genee combineert namelijk non-fictie met fictie en manipuleert zo het verhaal, net zo goed als het paard in het verhaal een manipulator is. De verdeling van de spreektijd tussen de drie auteurs is ook niet goed verdeeld. Bos komt pas heel laat aan het woord – en mede door de heisa bij de literaire kapper – is er weinig tijd om een diepgaand gesprek te beluisteren.

Bij Stand van de Letteren is die afwisseling er wel. Gespreksleider Doeke Sijens ondervraagt Renske de Greef, Aleid Truijens, Eva Cossee, Pauline Genee en Ilja Leonard Pfeijffer over hoe het ervoor staat met de letteren. Bedroefd? Het valt mee. De wereld draait door fungeert als een van de katalysatoren die het literaire circuit op gang (moeten) houden. Truijens is blij met de aandacht voor F.B. Hotz in het programma – niet in de laatste plaats omdat ze de biografe is van Hotz. Pfeijffer is blij dat hem die eer bespaard gebleven is. Maar of het format van DWDD nou goed is? Het boek verkopen is belangrijker dan het (inhoudelijk) te bespreken.

Er lijkt in zulk soort situaties geen aandacht meer te zijn voor het fysieke product: een proces van veel werk – van de auteur, van de redacteur, van de uitgever. Cossee geeft een helder verhaal over hoe dat precies in zijn werk gaat. Ze denkt dat de toekomst is aan de kleine onafhankelijke uitgeverijen. Dat denk ik zelf ook. Een andere indicatie daarvoor is de heibel rondom De Bezige Bij Antwerpen. Natuurlijk kwam het fysieke boek versus het e-book ter sprake: over het algemeen is het geluid dat het eerste het laatste gaat overwinnen. Dat denk ik zelf ook (en dat hoop ik ook). En dan nog zo’n hot topic: het sterren- en ballensysteem van de landelijke dagbladen. Truijens zegt dat doden veel sterren krijgen. Ook bij voorbaat, zoals een paar weken geleden in de Volkskrant waarin Arjan Peters Thomas Manns Jozef en zijn broers prijst, terwijl hij er slechts wat in gebladerd heeft.

Het rondetafelgesprek krijgt soms wat het karakter van een babbeluurtje. Sijens probeert alle vijf sprekers evenveel aandacht te geven en dat lukt hem aardig. Cossee en Truijens zijn inhoudelijk het sterkste en hun bijdragen blijven het beste bij. Pfeijffer moet het hebben van een aantal oneliners (die wél raak zijn). Genee en De Greef lijken er wat voor spek en bonen bij te zitten.

Ik heb drie keer een vraaggesprek met meerdere mensen bijgewoond en op zich werkt zo’n concept mits de opzet en de inhoud duidelijk omlijnd zijn. Dat was zo bij het gesprek over Hermans (namelijk Hermans en wie het nu eigenlijk was). In mindere mate was dat het geval bij Stand van de Letteren: Sijens gaf een aantal handreikingen en daaruit kwam een gesprek over andere onderwerpen (zoals de vergeten boeken van John Williams en Ida Simons) uit voort. Het gesprek met de debutanten was hiermee vergeleken los zand bij elkaar harken: geen duidelijke insteek (met vriendschap kun je alle kanten op, kijk maar naar Hermans) en weinig interactie. Nog even ter vergelijking: Lilian Zielstra interviewde een aantal schrijvers, waaronder Thomas Olde Heuvelt (en Thomas Heerma van Voss), en het gesprek had veel inhoud, ging over zinderende ervaringen en (het belangrijkste) blééf boeien.

Er was veel te doen tijdens deze editie. Het concept werkt en moet zo blijven. Verfijn het hier en daar, zou ik zeggen. Richt je meer op de inhoud van de programmaonderdelen want die kan beter, veel beter. Het is heus niet erg om een iets specialistischer thema aan een interview of paneldiscussie te verbinden. Sommigen komen af op een grote naam, anderen op de sfeer en weer anderen op specialere onderdelen.

Auteur: Obe Alkema (1993) studeert Neerlandistiek (research) aan de Universiteit Utrecht en Universiteit van Amsterdam en is dichter, recensent en redacteur.

Foto’s: Dick Pots.