Tijdens de opening van het academisch jaar wordt traditiegetrouw bekendgemaakt welke student zich een jaar lang huisdichter van de Rijksuniversiteit Groningen mag noemen. Sinds de eerste huisdichters in 2000 aantraden is de functie niet meer weg te denken. Regelmatig werden de eerste stappen gezet voor een carrière in de literatuur. De hoogste tijd om terug te kijken op het afgelopen decennium.

Dit jaar deden 22 studenten een gooi naar de titel en Olivier van Eijk werd benoemd als de 22e huisdichter. Het was de tweede keer dat de student Filosofie meedeed aan de verkiezing. Hiervoor stuurde hij vijf gedichten in, waarvan eentje over de universiteit moest gaan, samen met een sollicitatiebrief. Vervolgens was het wachten op de beslissing van de jury. Op zijn kamer ontving hij eind juni bericht: “Het mailtje kwam binnen toen ik op de wc zat. Ik wilde er pas naar kijken samen met mijn vriendin. Toen zag ik dat het geen mail was van ‘leuk en bedankt voor je tijd’, maar echt een mail waarin ze zeiden dat ik de nieuwe huisdichter ben. Mijn voorganger Willem Wierbos heb ik natuurlijk zien optreden en van Joost Oomen heb ik gehoord. Na het goede nieuws ben ik me gaan verdiepen in mijn voorgangers.”

Huisdichters 2010-2020
2010-2011: Joost Oomen
2011-2012: Jet Langerak
2012-2013: Pauline Sparreboom
2013-2014: Lilian Zielstra
2014-2015: Jephta de Visser
2015-2016: Philip Rozema
2016-2017: Esmé van den Boom
2017-2018: Rachel Raetzer
2018-2019: Sofia Manouki
2019-2020: Willem Wierbos
2020-2021: Olivier van Eijk

Prikkelend en boeiend

De eerste huisdichters traden aan in 2000. Gerrit Komrij was net benoemd tot de eerste Dichter des Vaderlands en destijds werd aan de universiteit het vak Creative Writing gegeven. Guus Termeer, de hoofdredacteur van de Universiteitskrant, dichter en docente Maria van Daalen en rector magnificus Doeko Bosscher stonden aan de wieg van het huisdichterschap. De Universiteitskrant werd het onafhankelijke orgaan waarin de gedichten zouden verschijnen en de rector magnificus zegde toe elk gedicht met een fles wijn te belonen. Dat de huisdichter bij de opening van het academisch jaar zou voordragen werd ook vastgelegd.

In 2000 kon de jury niet beslissen waardoor er twee huisdichters van start gingen. Daniël Dee en Petra Else Jekel schreven totaal verschillend waardoor de combinatie volgens de jury een prikkelende en boeiende leeservaring zou opleveren. Ter afsluiting presenteerden ze de bundel Dubbelblind en sindsdien zwaaide elke huisdichter af met een door Gertjan Slagter vormgegeven bundel. Zowel Jekel als Dee gingen door met dichten na het huisdichterschap en de laatste werd in 2013 verkozen tot stadsdichter van Rotterdam.

Meerdere dichters die tussen 2000 en 2010 huisdichter waren bleven ook daarna actief op literair gebied. Van Guido van der Wolk (2002-2003) verscheen nog een bundel in de Windroosreeks. Andere huisdichters debuteerden na het winnen van het Hendrik de Vries stipendium. Dit stipendium van de gemeente Groningen biedt schrijvers onder de 36 de kans om een boek uit te brengen. Jurre van den Berg (2005-2006) won het stipendium in 2007. Ruth Koops van ’t Jagt (2006-2007) en Sacha Landkroon (2009-2010) vielen in 2013 en 2015 in de prijzen.

Masterplan

Van Eijk is al enkele jaren op allerlei Groningse podia te vinden en presenteert het open podium Poëzie Met in het voormalige Rooms Katholieke Ziekenhuis in het zuiden van de stad. Het huisdichterschap ziet hij als “een hele grote kans. Deze keer dacht ik: ik kan het echt halen. Toen ik vorig jaar werk instuurde kreeg ik de feedback dat mijn gedichten soms verzanden in een soort absurdistische individualiteit. Dat was niet leuk om te horen, maar terugkijkend heel erg waar.” Meerdere studenten moesten een afwijzing verwerken voordat ze huisdichter werden, anderen konden meteen aan de slag. Zo zag Willem Wierbos enkele dagen voor de deadline een berichtje op de site van de universiteit. Het leek hem een leuke uitlaatklep en hij schreef snel een gedicht over de universiteit. Met resultaat. Sofia Manouki, Wierbos voorganger, zag de oproep ook online. Dat er niet eerder een internationale huisdichter was geweest motiveerde haar extra om werk in te sturen.

Een aantal dichters was al langer met poëzie bezig. Joost Oomen die na zijn huisdichterschap het Hendrik de Vriesstipendium won en in 2013 stadsdichter van Groningen werd zei erover: “het hele masterplan was natuurlijk om literator te worden. Daarom ben ik ook Nederlands gaan studeren. Ik trad al op bij slams buiten Groningen en begon ook wat actiever te worden in de stad zelf toen ik me aanmeldde als huisdichter.” Lilian Zielstra en Pauline Sparreboom hadden ook literaire ambities, maar schreven proza. De oproep om huisdichter te worden zette ze aan tot het schrijven van gedichten. Sparreboom zegt daarover: “Ik wilde altijd al schrijven en zag het huisdichterschap als een mooie kans. Ik las veel poëzie en ging het proberen.” Esmé van den Boom schreef aanvankelijk liedteksten en begon na enige twijfel met het schrijven van gedichten. Over haar sollicitatie dacht ze lang na: “Het is zoveel meer dan elke maand een gedicht schrijven. Je gaat veel onderzoeken en komt op veel plekken. Ik heb een paar maanden aan de gedichten voor de sollicitatie gewerkt en ook heel gericht geprobeerd verschillende gedichten te maken. Toen ik het af had dacht ik ook: dit is wel goed.”

Het begin van iets

Gevraagd naar hun hoogtepunten noemen bijna alle dichters hun voordracht tijdens de opening van het academisch jaar. Lilian Zielstra, die in 2017 stadsdichter werd, herinnert zich dat “ik niet had verwacht ooit nog eens in de aula van het Academiegebouw te staan. Het optreden ging heel goed en ik kreeg positieve reacties. Het voelde echt als het begin van iets.” Voor Manouki, die die week pas arriveerde “aan de universiteit, in de stad én in Nederland” was het een “spectaculaire kennismaking” met het ambt. “Ik zoog alle nieuwe ervaringen enthousiast op en liet me met de golf meevoeren.”

Philip Rozema werd, evenals Van Eijk, na een tweede poging huisdichter: “Ik schreef al gedichten op de basisschool en het leek me heel leuk om huisdichter te worden. Je kan vaker optreden en er gaan deuren open. De eerste keer dat ik werk instuurde kreeg ik positieve feedback van de jury. Dat motiveerde me om nog eens mee te doen en toen werd ik het.” Rachel Raetzer die ook al van kinds af aan poëzie schreef had totaal niet verwacht dat ze huisdichter zou worden: “Eigenlijk verwachtte ik niet dat ik er iets van terug zou horen, omdat ik zelf nog best wel zoekende was naar een eigen stijl. Ik was geen podiumbeest, en dat ben ik nog steeds niet echt. Toen ik gedichten en een brief op had gestuurd, dacht ik: “Zo, ik heb het gedaan. Nu ben ik klaar.” Een paar maanden later werd ik gebeld en stond ik te springen.”

Haast vanzelf worden de huisdichters gevraagd om op andere plekken op te treden. Velen vonden hun weg naar de Dichtclub in de Kroeg van Klaas, organisaties als Literair Dispuut Flanor en festivals als de Poëzieweek en Dichters in de Prinsentuin. Esmé van den Boom vond het het allerleukst om “door studieverenigingen gevraagd te worden om op te treden, of dat je bij symposia à la minute een gedicht schrijft over het onderwerp.” Naast optredens organiseerden meerdere huisdichters zelf activiteiten. Zo maakte Jet Langerak een metalen dichtwand met tientallen woorden waarmee bezoekers van Noorderzon en de Jonge Schrijversavonden in de Stadsschouwburg Amsterdam: “totaal andere poëtische zinnen of gedichten maakten van de woorden uit mijn gedichten.”

Stoepkrijtpoëzie – foto Coen Peppelenbos

Joost Oomen haalde zelfs de landelijke pers met een stoepkrijtactie. Zo’n zeventig studenten trokken er op een avond in mei op uit om overal in de stad met stoepkrijt gedichten op muren en straten aan te brengen en dat leverde berichten in de Volkskrant en het Algemeen Dagblad op. Het was een van de eerste evenementen die Oomen organiseerde en dat was te merken in de uitvoering. “Ik had toen ook wat budget van de universiteit gekregen en dat is allemaal opgegaan aan stoepkrijt. Dat je ook geld aan pr kon besteden had ik toen nog niet bedacht. We hadden ontzettend veel stoepkrijt over en dat heeft jarenlang in het schuurtje bij mijn studentenhuis gestaan. Uiteindelijk hebben we alles op een schoolplein achtergelaten.”

Toen in 2017 de Universiteitsbibliotheek na een verbouwing heropende organiseerde Esmé van den Boom er een Science slam. Dichters spraken met een promovendus over diens onderzoek en vervolgens schreven ze samen een gedicht. Het evenement keerde sindsdien jaarlijks terug en zal ongetwijfeld weer op het programma staan van de Poëzieweek in Groningen.

Blij met het resultaat

De gedichten van de huisdichter verschenen vanaf het begin in de Universiteitskrant en toen de krant niet meer op papier maar online verscheen was dat ook het geval. In 2016 besloot de Universiteitskrant de gedichten niet meer te plaatsen. De UK wilde zich richten op haar journalistieke kerntaken en Studium Generale, waar Guus Termeer, een van de initiatiefnemers van het huisdichterschap werkzaam was, nam het project over. Sindsdien verschijnen de gedichten op de website van de RUG. De poëzie van Sofia Manouki, de eerste internationale huisdichter, werd daarbij vergezeld door animaties van studenten van Academie Minerva.

De papieren bundel is wel gebleven en is voor de meeste dichters hun debuut. Terugkijkend zijn alle huisdichters trots op het resultaat, maar kon het altijd beter. Joost Oomen noemt het huisdichterschap “een heel fijn begin, maar wel echt een begin. Ik ben blij met de bundel, maar het staat ver af van wat ik later als kunstenaar ben gaan doen.” Sparreboom en De Visser vonden het fijn om het huisdichterschap met een tastbaar product af te sluiten en Philip Rozema is blij met het resultaat van een jaar werk: “Het is echt een uitdaging: je schrijft maandelijks iets en het ene gedicht is beter dan het andere. Ik ben nog steeds blij met het resultaat.” Esmé van den Boom is verrast dat ze het nog steeds goed vindt. “Ik had verwacht dat ik het heel beroerd zou vinden, maar het is nog steeds best wel goed. Er staan een paar gedichten in waar ik supertrots op ben en nog steeds met plezier voordraag. Eén gedicht nam ik ook op in de bundel die ik voor het Hendrik de Vriesstipendium maakte en dat had ik echt niet verwacht.”

De onderwerpen waarover werd geschreven varieerden per dichter. Naast gedichten voor speciale gelegenheden werd er ook veel over het studentenleven geschreven. Het gedicht waarmee Philip Rozema de huisdichterverkiezing won ging over een studentenvereniging en Willem Wierbos beschreef hoe een student opstaat en zich voorbereidt op college. Joost Oomen herinnert zich nog een gedicht tegen de langstudeerboete dat hij bij een protest in Den Haag ten gehore bracht. Sparreboom is nog steeds erg trots op het gedicht waarin ze de wandeling van haar studentenkamer naar de faculteit filosofie beschrijft.

Gedurende het jaar dat ze huisdichter waren traden de meesten veelvuldig op. Sofia Manouki, de eerste internationale huisdichter, stond op een festival over het werk van Murakami en Esmé van den Boom mocht een gedicht over Ben Feringa voordragen bij een avond ter ere van de Nobelprijswinnaar. Jephta de Visser organiseerde een poëtisch programma in een supermarkt waarbij de gedichten aansloten bij de afdelingen in de winkel.

Het huisdichterschap leidde er logischerwijs ook toe dat de studenten beter werden in hun voordracht. Jephta de Visser, die nu in een museum werkt, heeft er nog steeds baat bij: “ik leerde veel beter voordragen en contact maken. Bij de rondleidingen die ik geef kan ik daardoor ook beter de rust bewaren. Opletten op m’n ademhaling heb ik ook beter onder de knie.” Voor Sparreboom betekende de opgedane ervaring veel voor het poëziedebuut dat in 2016 volgde: “Het mooiste was toch mijn debuut bij uitgeverij Passage. Voordragen moet je echt leren en in het begin zijn er wat zenuwen. Als dat allemaal weg is kan je ervan genieten.”

Tik!

Willem Wierbos, die het afgelopen collegejaar huisdichter was, zat ook vol plannen, maar corona bracht alles abrupt tot stilstand. In het najaar van 2019 was hij druk met zijn coschappen en pas begin 2020 was hij in de gelegenheid om vaker op te treden. Een van de hoogtepunten was een optreden bij Flanor: “Ik kreeg voor het eerst de kans langer voor te dragen en had voor de gelegenheid een themagedicht geschreven.” Wierbos was ook van plan om zijn gedichten aaneen te smeden tot een toneelstuk, maar dat kon niet gerealiseerd worden. “Repeteren lukte niet tijdens de lockdown. Optredens die ik in de openlucht had willen doen gingen ook niet door. De maanden ervoor had ik overal m’n gezicht laten zien en het liep net lekker. Toen werd alles stil.”

Willem Wierbos- foto: Reyer Boxem

Vrijdag 9 oktober presenteert Wierbos zijn bundel in studententheater Usva. “Vanwege het kleine aantal spelers en bezoekers zit een toneelstuk er niet in. Ik ga nu voor een show waarin ik de gedichten met een verhaal aan elkaar verbindt. Er doet ook een pianist mee van het conservatorium. De titel wordt Tik! Eerst had ik andere titels bedacht, maar na een nachtje slapen kon ik die moeilijk voor de geest halen. Een titel van één lettergreep sprak me wel aan.

Van Eijk maakt zich minder zorgen over corona: “Het is nu geen bom meer waarover mensen zich zorgen maken, de aanpassingen die gemaakt moeten worden zijn bekend. Dit is juist het moment om poëzie via sociale media te delen. Dat is een van m’n plannen. Eigen poëzie, maar ook van andere dichters. Het lijkt me ook leuk om feedback te kunnen geven aan anderen. Het open podium Poëzie Met dat ik presenteer kan binnen wel doorgaan, met een beperkt aantal plekken.”

Schijnwerpers

Wat heeft het huisdichterschap nu eigenlijk opgeleverd voor de dichters? Gevraagd naar wat hen is bijgebleven zijn de antwoorden divers. De kennismaking met de Groninger scene herinnert De Visser zich nog goed: “Door de benoeming kreeg ik door hoeveel er gedicht wordt in Groningen en erbuiten.” Van den Boom omschreef het als een lancering: “Je wordt gewoon gekatapulteerd met die titel en er is meteen interesse vanuit de poëziewereld.” In de paar maanden dat hij optrad viel ook Wierbos op dat “er een grote poëtische wereld is in Groningen waar veel mensen hart voor hebben.” Dat was voor Sparreboom weer ontnuchterend: “Het belangrijkste is denk ik dat ik werd opgetild en weer met beide benen op de grond kwam. Als je altijd al hebt willen schrijven en dan huisdichter wordt is dat fantastisch, maar dan merk je pas hoeveel mensen er zijn die mooie verhalen maken. Het is heel veel, maar ook weer niet.”

De les dat “organiseren en eigen kunst maken hand in hand gaan” paste Joost Oomen veelvuldig toe bij de andere projecten waarbij hij betrokken was. Zielstra bekijkt het ook praktisch: “ook schrijven en voordragen is een vaardigheid, die je kunt oefenen door het vooral te doen. Ik ben van nature niet iemand die graag op de voorgrond treedt, maar dankzij het huisdichterschap leerde ik hoe ik wel het podium op kon en mijn teksten kon brengen.” Dat werkte ook voor Raetzer: “Van een stille scholier achter een laptop ben ik veranderd in iemand die haar podiumvrees aan de kant zet om te kunnen doen wat ze het liefste wil.” Philip Rozema vatte het treffend samen toen hij stelde dat “als je ergens plezier uithaalt en daar actief mee aan de slag gaat” er deuren opengaan. “Je moet er zelf de wereld mee instappen, maar daarna gaat het rollen.”

Sofia Manouki – foto: Reyer Boxem

Sofia Manouki moest ook wennen aan die schijnwerpers. In een interview in de Universiteitskrant zei ze dat haar Japanse inborst ook meespeelde: “Je hoort niet op te scheppen over jezelf of jezelf te verkopen.” Jet Langerak merkte dat die rol niet voor haar was weggelegd: “Hoewel ik mijn schrijven er enerzijds door heb ontwikkeld, heeft het schrijven voor publiek me helaas ook ontmoedigd. Ik vond het moeilijk te schrijven met het idee dat allerlei mensen het zouden lezen. Daardoor verloor ik voor mijn gevoel mijn ‘oprechtheid’.”

De wereld in

Onlangs studeerde Willem Wierbos af als arts en op dit moment is Olivier van Eijk de enige onder de huisdichters die nog een studie volgt. Het overgrote deel van de dichters die tussen 2010 en 2020 de universiteit vertegenwoordigden schrijft nog steeds. Jet Langerak is nu freelance fondsenwerver en de ervaring die ze als huisdichter opdeed komt daarvoor nog steeds van pas. Gedichten schrijft ze “nog heel sporadisch voor mezelf.” Dat geldt ook voor Pauline Sparreboom, die nu vooral verhalen schrijft. Ze werkt voor het bedrijf Onderneming & kunst en stelt onder meer kunstcollecties samen voor cruiseschepen. Manouki vertrok vorig jaar na haar master weer naar haar thuisland Griekenland, maar komt weer terug naar Groningen. Op dit moment schrijft ze vooral proza.

Philip Rozema is tegenwoordig leraar Nederlands op een school in Overijssel. Binnenkort begint hij aan een traject bij de School der Poëzie waarbij hij onder begeleiding van Thomas Möhlmann aan de slag gaat. Jephta de Visser werkt bij een museum en begint dit studiejaar aan de Pabo. Na haar vertrek uit Groningen sloot ze zich aan bij de Rotterdamse Poetsclub. Oomen verliet Groningen voor Amsterdam. Op het moment van het interview rondde hij zijn debuutroman Het perenlied af, die in november van dit jaar zal verschijnen.

Evenals Oomen werd Lilian Zielstra stadsdichter van Groningen. Naast het schrijven werkt ze in de Groningse boekhandel Godert Walter. Esmé van den Boom debuteerde onlangs als dichter en werkt sinds kort voor festival Explore the North in Leeuwarden. Raetzer is naast het schrijven van poëzie als freelancer werkzaam bij een uitgeverij en een vertaalbureau. Alle drie de vrouwen zijn ook nog steeds lid van de Dichtclub.

Olivier van Eijk is bij de opening van dit Academisch jaar van start gegaan. In zijn woorden: “Het is een nieuwe stap voor mij als dichter en een hele mooie kans om zoveel mogelijk met gedichten bezig te kunnen zijn en daarmee anderen te inspireren.”

Maarten Praamstra

Foto’s: Reyer Boxem (tenzij anders aangegeven)