Op 4 mei loopt er elk jaar een herdenkingstocht van het Joods monument aan de Hereweg naar het oorlogsmonument op het Martinikerkhof. Daarbij passeert de stoet ook de Zuiderbegraafplaats. Stadsgids Henk Bakker realiseerde zich dat daar verscheidene verzetsstrijders rusten en ijverde sindsdien voor een monument. 8 april, vijfenzeventig jaar na de moord op twee verzetsstrijders die er begraven liggen, werd de gedenksteen dan eindelijk geplaatst. Er staan negentien namen op en een gedicht van stadsdichter Renée Luth. Ik sprak in februari met haar en Henk Bakker over hoe je herdenkt en over mijn overgrootvader Cornelis Gerrit Wiegers die op 8 april 1945 in de bossen bij Anloo werd vermoord.

Bakker (1954) geeft al jaren rondleidingen door de stad en provincie en bezoekt de begraafplaats al een jaar of negen. “Ik ben begonnen met rondleidingen langs graven van beroemde Groningers. Die zouden in mijn ogen bekend moeten zijn, maar dat is niet het geval. Ik wilde ze onder de aandacht brengen en kwam zo ook bij de verzetsstrijders uit.” We staan bij de entree van de begraafplaats en Bakker wijst naar de plek waar de Verzetsstrijderssteen moet komen. “Hier rechtsvoor, echt een mooie plek. Dit perceel is waarschijnlijk lang geleden gekocht, maar nooit in gebruik genomen als graf. De steen komt rechtop te staan en er komt een gedicht van de Groninger stadsdichter Renée Luth op. Iedereen die hier na half april naartoe komt loopt tegen het monument en de namen aan.”

“Mijn vader heeft de oorlog intensief meegemaakt en had het er thuis veel over”. Zijn moeder werkte voor de oorlog bij een Joods gezin in Groningen. “De naam Stoppelman noemde ze altijd met een bedrukt gezicht, alle vier gezinsleden werden vermoord in Auschwitz.” Door de rondleidingen is zijn beeld over herdenken veranderd. “De herdenking moet blijven en iedereen waarschuwen dat er niet weer zo’n oorlog komt en in het bijzonder zo’n vervolging van een bevolkingsgroep. Dat kan volgens mij weer terugkomen”.

Jarenlang verdiepte Bakker zich in de oorlogsslachtoffers die er begraven liggen. Het uitzoeken van de namen voor op de steen stelde hem ook voor dilemma’s. Zo liggen er op de begraafplaats ook talloze mensen die slachtoffer werden van het naziregime, maar niet in het verzet zaten.

Burgemeester Koen Schuiling en Henk Bakker onthullen de steen.

Met de omgeving vergroeid

Het is halverwege februari en het regent zachtjes terwijl we over de begraafplaats lopen. Om sommige graven te bereiken lopen we over en tussen de graven door. Als er geen zerk ligt is de kans nog steeds groot dat er een graf ligt. “Als een kist vergaat kan de grond verzakken. Grafstenen die wegzakten werden vaak met een kruiwagen zand afgedekt zodat er makkelijk gemaaid kon worden. Hier ligt bijvoorbeeld een Groningse hoogleraar waar een straat naar is vernoemd, maar zijn steen is uit het zicht verdwenen.” Verderop staat een grafsteen scheef onder een treurwilg die net zo oud is als de begraafplaats. “Het is natuurlijk heel mooi als het met de omgeving vergroeit. Het is jammer als een steen omvalt, maar hoort ook een beetje bij het verval van de mens zelf en deze begraafplaats.”

Tussen de graven bloeien sneeuwklokjes, maar het is nat en koud. Lopend over het gazon zakken onze schoenen regelmatig weg. Na voorjaarsstorm Ciara liggen er her en der takken. Bij een graf met geplastificeerde foto’s tussen het grind stopt Bakker om weggewaaide foto’s terug te leggen. “Als ik zoiets zie leg ik het terug. Anders raakt het zoek voor nabestaanden of ligt het ergens voor oud vuil. Dat lijkt me naar voor ze.”

We houden al snel halt bij een zerk. “Dit is het graf van een jongeman die als dwangarbeider in Duitsland te werk was gesteld en hij is vlak na de bevrijding overleden aan de gevolgen. Rechtsachter ligt een brandweerman die bij de bevrijding van Groningen omkwam.” Wat later staan we bij het graf van Jan Jacob Sterk die op 13 maart 1945 aan de Kapteynlaan werd vermoord. “Sterk wordt soms genoemd als verzetsstrijder, maar hij is waarschijnlijk door Robert Lehnhoff vermoord om zijn verzameling zeldzame postzegels. Lehnhoff zelf ligt trouwens verderop in een anoniem graf op de Katholieke begraafplaats. In juli 1950 is hij aan de Hereweg geëxecuteerd voor zijn misdaden.”

Een van de vele graven waar we stoppen is dat van Hindrik Woldring (1884-1945), een verzetsstrijder die in Dokkum als represaille werd gefusilleerd na een bevrijdingsactie van het Friese verzet. Op het graf staat een stenen bokaal die nog geschonken is door zijn collega’s van de belastingdienst, de tekst die erin is gegraveerd is nog steeds te lezen.

Achteraan op de begraafplaats ligt het graf van Leendert van Noppen (1917-1945). De in Soekaboemi (Java) geboren wachtmeester van de staatsbrandweerpolitie werd in het politiebureau aan het Guyotplein neergeschoten na te zijn verraden. In steen uitgehakte handen grijpen een staf vast met de tekst “Het leven is de kruisbanier die in Gods handen rust.” Het is een van de vele religieuze teksten die ruimschoots aanwezig zijn op de begraafplaats, de teksten op de graven van verzetsstrijders verwijzen met grote regelmaat naar hun einde. Een verhaal dat alleen blijkt uit de letters en getallen op de graven is hoe het de achterblijvers verging. Regelmatig werden partners decennia later bijgezet.

“Gevallen voor koningin en vaderland”

Mijn overgrootmoeder Harmina Aaltje Mogree (1894-1987) was één van die partners. 42 Jaar nadat haar man werd vermoord werd ze bijgezet in het graf op de Zuiderbegraafplaats. Zij en Cornelis Gerrit Wiegers (1894-1945) waren de ouders van mijn oma aan moederskant. Hij was onderluitenant bij de Koninklijke Marechaussee en maakte de Duitse inval in 1940 mee toen hij in Nieuweschans was gelegerd. Hij sloot zich al snel aan bij het verzet en bracht onderduikers over, verzamelde inlichtingen en was betrokken bij het afwerpen van wapens door geallieerde vliegtuigen. 20 februari 1945 werd hij in Finsterwolde gearresteerd op de dertiende verjaardag van zijn zoon. Na vele verhoren op het Scholtenhuis werd hij op 8 april met negen anderen naar Anloo gebracht en daar vermoord.

Kornelis Kuipers (1904-1972) zat samen met hem in cel 24 van het Huis van Bewaring aan de Hereweg en tekende op hoe mijn overgrootvader als oudste celbewoner de jongere gevangenen bij de les hield: “Het celleven was zwaar. Waarom? Wel in de eerste plaats om de zorg over je vrouw en kinderen, doch nog veel meer om de onzekerheid, Vriend Wiegers, de politieman, was absoluut overtuigd van de spoedige terugkeer naar huis, doch ook hij wist niet dat het onrecht zo diep geworteld was […] Hij, onze vriend Wiegers, die, 7 maal verhoord zijnde, steeds fier en opgewekt terugkwam.”

Als ik met mijn oma over haar vader sprak kwam die heldhaftige omschrijving vaak ten sprake. Dat het overlijden haar getraumatiseerd had merkte ik pas toen Pim Fortuyn werd vermoord. Toevallig was ik bij haar toen dat bekend werd en het nieuws triggerde duidelijk een trauma. Wellicht raakte ik daardoor ook meer betrokken bij het verhaal van mijn overgrootvader. Naarmate mijn oma slechter ter been werd hield ik een oogje op het graf en elk jaar ging ik mee naar de dodenherdenking in Anloo. Mijn oudoom vertelt bij die herdenkingen nog regelmatig hoe zijn vader op z’n verjaardag uit huis werd gehaald. Zijn graf is een van de laatste graven die ik met Bakker bezoek. De tekst “Gevallen voor koningin en vaderland” is na al die jaren nog steeds duidelijk zichtbaar.

Hoe je compassie schilderde”

Terwijl Bakker en ik over de Zuiderbegraafplaats liepen werkte Renée Luth aan de tekst die op de verzetsstrijderssteen moet komen te staan. Voordat de coronacrisis uitbarstte was ze volop bezig met de viering en herdenking van 75 jaar vrijheid. Ze werkte aan een Ode aan de vrijheid en een tekst die voorgedragen zou worden bij een bezoek van Canadese veteranen. Met de teksten worstelde ze: “Je zit zo snel in doodgeslagen taal en platgelopen wegen. Hele goede dichters hebben klassiekers over de oorlog geschreven. Die heb ik herlezen, maar er is ook een risico dat je je erdoor laat beïnvloeden.”

Bij Luth thuis in Haren praat ik met haar over de opdracht voor de Zuiderbegraafplaats. “Ik had maximaal driehonderd tekens, dus letters én spaties. Mijn eerste versie had zo’n zevenhonderd tekens en toen ben ik gaan schaven en knippen. Voor de rest ben ik vrij gelaten, alleen het woord verzet moest er in voorkomen.” De namen van de verzetsstrijders kreeg ze erbij, maar die noemt ze niet: “Als je er een aanstipt negeer je de rest, dat kan niet.” Met zo weinig tekst komen meer algemene beelden wel om de hoek kijken, maar ik heb afgelopen jaar wel geleerd dat dat kan. Clichés zijn er niet voor niets.”

Een Gronings gedicht wil Luth het niet noemen: Ik zag dat er mensen uit het westen van het land lagen en heb er voor gekozen om geen Groningse elementen in te doen. Het is zonde om me daarin te beperken. Ze leest me de eerste versie voor: “ik heb nu acht tekens teveel. Het is heel lastig want als ik een heel gedicht zou schrijven zou ik meer wegblijven uit die algemene delen.”

Wat meteen opvalt is dat hun gewelddadige dood slechts zijdelings aan de orde komt. Luth zegt daarover: “Het woord offer stipt het wel aan. Je wilt herinneren dat ze zo dapper waren om in opstand te komen, dat wil je herinneren. Het gaat me in het gedicht meer om koesteren en dank zeggen. Stel dat er nabestaanden komen? Dan wil je liever dat je ze bedankt en niet dat je ze herinnert aan een marteling. Dan kom je in een pijn terecht waar ik niet aan wil komen. De meeste mensen hielden hun mond zelfs tijdens langdurige martelingen en stierven daarmee voor het behoud van de levens van anderen. Zoveel moed is onvoorstelbaar. Bij m’n voorbereiding las ik over een bakker die haast per ongeluk in het verzet belandde en krantjes verspreidde. Wat wist je dan al van het geweld dat je te wachten stond als je zou worden opgepakt?”

Renée Luth draagt voor bij de onthulling.

De tekst voor het monument komt voor Luth dichterbij dan de ode aan de vrijheid. “De begraafplaats staat dichter bij de mensen. Ik heb nu al die verhalen gelezen en het voelt wel alsof ik het meer voor hun schrijf. Zo’n ode aan de vrijheid is moeilijker: daar vroeg ik me echt af over wie ik het moest hebben. Er zijn zoveel verhalen. Daarom wilde ik er ook geen geweld in, het moet een eerbetoon zijn.” Dat er verzetsstrijders op de Zuiderbegraafplaats begraven liggen wist Luth niet voordat ze aan de opdracht begon. Bij het passeren van de begraafplaats is ze zich sindsdien veel bewuster van hun verhalen.

Evenals Bakker laat Luth het heden meewegen als ze herdenkt. Herdenken is voor haar: beseffen wat we hebben en waar we dat aan te danken hebben. “Dat is aan de voorgangers en hun opoffering, dat gaat natuurlijk op heel veel niveaus. Tegelijkertijd vind ik ook dat het een les is voor wat we als mens voor een ander kunnen doen. Dat we wegkijken terwijl er mensen verdrinken in de Middellandse Zee en we ons niet verantwoordelijk voelen is verschrikkelijk. En dan lees je artikelen terug uit 1938 over vluchtende Joden die niet de grens mochten oversteken. Daar word ik heel boos en verdrietig van. Die bagage moeten we nu meewegen.”

De verzetsstrijderssteen met de tekst van Renée Luth is dinsdagmiddag 7 juli onthuld op de Zuiderbegraafplaats te Groningen. Jaarlijks zal er op 4 mei een krans worden gelegd.

De steen vlak na de onthulling.

Maarten Praamstra

Foto’s: erven De Vries, Annie Postma en Maarten Praamstra