Ondanks een regenachtige weersvoorspelling stap ik deze zondagmiddag een goedgevulde Prinsentuin in. Later leer ik dat deze mensen natuurlijk grotendeels wél verstandig genoeg zijn geweest om paraplu’s en capuchons mee te nemen, maar goed. Weer of geen weer: In de Prinsentuin een middag luisteren naar poëzie is altijd goed toeven.

Nadat definitief is vastgesteld door Lisa Weeda en Coen Peppelenbos dat de microfoon al dan niet galmt, wordt afgetrapt door Aly Freije, inmiddels een bekende van het festival. Dit keer draagt zij niet in het Gronings voor, maar in het Nederlands, ook het stuk “Een gedicht in boosheid geschreven” over de toch erg Groningse aardbevingen. Op een paar kleine haperingen na gaat het Freije als altijd soepel af om voor te dragen. Dat kan van de meeste mensen in dit eerste blok gezegd worden, overigens. Maartje Smits, “half-hoogzwanger” volgens Weeda, spreekt zo zachtjes en meeslepend dat je eigenlijk op het puntje van je stoel wilt gaan zitten tot je er bijna afvalt. Dit is een flink contrast met Rodaan Al Galidi, die naar eigen zeggen “nog steeds niet goed te verstaan” is, en ons daarmee veel succes wenst. Al snel blijkt dat dit een compleet loze waarschuwing is, want Al Galidi spreekt helder en is een van de meest boeiende en komische dichters van deze hele dag. Hij draagt voor uit zijn bundel Koelkastlicht, een bundel die hij beschrijft als bestaande uit een deel “allerlei depressieve gedichten”, een deel “filosofische gedichten” die hij zelf “eigenlijk ook niet meer begrijpt” en een deel “gedichten die de verkoop van deze bundel mede mogelijk moet maken”. Opvallend is dat Rodaan Al Galidi bovendien de eerste persoon is waarbij na elk gedicht applaus volgt. Hierbij negeren we even dat dit met name gebeurt na zijn eigen suggestie, want het applaus is hoe dan ook verdiend. Na Al Galidi volgt Joost Baars, die dit jaar zijn debuut maakt op het Theeveld. Baars heeft onlangs zijn debuutbundel Binnenplaats uitgebracht, waarmee hij onder andere was genomineerd voor de C. Buddingh’-Prijs. Zijn bundel zal ongetwijfeld erg goed zijn, maar op het Theeveld ben ik niet, zoals bij Maartje Smits en Rodaan Al Galidi, direct geboeid door zijn voordracht.

Na deze eerste Theeveld-ronde is het de beurt aan de loofgangers, waar wij als gelukkig bezoek kunnen schuilen voor de overtrekkende regenbui. De dichters, echter, staan in de volle regen voor te dragen en worden soms, bij gebrek aan jas of paraplu, zeiknat. Onder andere Esmé van den Boom trekt een groot publiek waarvan ze in elk geval enkele mannen gelukkig stemt omdat zij zich profileert als “een echt bèta-meisje”. Ikzelf werd vooral gelukkig van haar poëzie, maar goed, prioriteiten. Als het publiek in de loofgangen een indicatie is, kan haar aankomende debuutbundel in elk geval rekenen op een warm onthaal. Enkele vensters verderop in dezelfde loofgang draagt op dat moment Rik Sprenkels voor. Zijn gedichten zijn scherp en zijn voordracht is indringend zonder geforceerd aan te voelen – zonde dan dat er relatief weinig mensen bij zijn venster blijven staan. Gelukkig houdt Sprenkels zich bezig met Poetry Slams, dus voor de liefhebbers is hij op veel meer plekken te horen.

Terug op het Theeveld gaan we verder met Max Greyson, een Vlaming met een Schotse naam, die naast een Vlaming met een Schotse naam, ook erg lief is, aldus Joost Oomen. Greyson draagt kundig voor en sleept het hele Theeveld mee zijn poëzie in. Soms is hij vaag en moeilijk te volgen met de Franse frasen en uitroepen die hij door de Prinsentuin slingert, maar uiteraard is ook dit volkomen met opzet gedaan. Dat Greyson’s debuutbundel door onder andere Ilja Leonard Pfeijffer enthousiast is onthaald, lijkt dan niet meer dan redelijk. Na Greyson volgen Lieke Marsman en Lilian Zielstra, beiden jonge dichteressen. De een houdt je op de hoogte over de gang van zaken op Wimbledon, en de ander over de gang van zaken in Groningen. Beiden voelen zich klaarblijkelijk goed thuis achter de microfoon en vooral Zielstra komt overtuigend over. Dit blok op het Theeveld wordt afgesloten door Tijl Nuyts, een andere genomineerde voor de C. Buddingh’-Prijs, die voordraagt uit zijn bundel Anagrammen van een blote keizer. Hoewel hij enthousiast spreekt, voelt zijn voordracht hier en daar wat geforceerd. Dit komt onder andere doordat Nuyts voor een goed deel van zijn gedichten de noodzaak voelt om uit te leggen wat hij precies gaat voordragen, waardoor ik het idee krijg dat dit deel van zijn oeuvre simpelweg niet zo geschikt is als voordrachtspoëzie. Jammer, maar het wekt in elk geval de nieuwsgierigheid om bij een van de aanwezige boekenkraampjes even te kijken hoe de gedichten over de zoektocht naar Kuluri er op papier uitzien.

Ook tijdens de tweede ronde in de loofgangen trekt er weer een bui over; het lijkt bijna een bewuste poging die arme loofgangen-dichters te pesten. Tijdens deze ronde trekken vooral Rodaan Al Galidi, Max Greyson en Lieke Marsman veel aandacht. Zelf blijf ik een poos staan luisteren bij Nikki Dekker, die zich, naast het dichten, ook bezighoudt met het schrijven van essays en het maken van radio en podcasts. Wellicht is het deze combinatie van vaardigheden die van Dekker zo’n geweldige voordrachtspoëet maakt. Hoe zonde is het dan ook dat het gros van de mensen in de andere loofgang in de opstopping rond Greyson en Al Galidi blijft hangen. Na een ronde door de loofgangen ga ik in elk geval, tevergeefs, op zoek naar de debuutbundel van Dekker. “Die heeft ze nog niet,” wordt me gezegd. “Balen hè, ze is goed!”

 

Gelukkig opent het aller-aller-allerlaatste blok op het Theeveld met een ronde loofgangendichters, waaronder Esmé van den Boom en Nikki Dekker, die allemaal één gedicht mogen voordragen. Zo krijgen alle mensen die de fout maakten om niet naar ze te luisteren in de loofgangen in elk geval hier een herkansing. Ook de kinderdichteres van Groningen, Marrah van der Heijden, maakt tijdens dit miniblokje haar overtuigende Theeveld-debuut. Maar handtekeningen? Daar doet ze niet aan. Verder komen in dit blok Sasja Janssen en Wout Waanders aan bod, die beiden op hun eigen manier spelen met poëzie. Zo doet Janssen denken aan Astrid Lampe en doet Waanders vooral denken aan een papierversnipperaar. Tijdens de voordracht van deze laatste wordt er namelijk met behulp van een bijzonder enthousiaste vrijwilliger een gedicht voorgedragen dat eindigt in een hoop snippers op het natte gras van het Theeveld. Schijnbaar is dit gedicht al drie keer eerder mislukt, dus voor de snippers wordt enthousiast geapplaudisseerd. De allerlaatste dichter van deze jubileumeditie van Dichters in de Prinsentuin is Simone Atangana Bekono, die met haar poëzie treffende inzichten biedt in discussies over ras en gender. Hiermee is Atangana Bekono de perfecte afsluiting van een middag vol engagement.

Mochten de weken in Groningen bestaan uit zes zondagen en één zaterdag, zoals de tijd volgens Al Galidi verloopt in Hoogeveen, dan graag zondagen zoals deze. Als het even kan alleen ook zonder de regen.

Tekst: Sandy de Vries won ooit een WriteNow!-voorronde, was ooit enthousiast (bestuurs- en/of redactie-) lid bij Literair Dispuut Flanor en werkt tegenwoordig op een marketingafdeling waar ze vooral schrijft voor robots.

Foto’s: Reyer Boxem