“Dat je promoot dat dagdromen goed is en taal niet eng,” is Kasper Peters’ antwoord op de vraag wat nou precies het belang van poëzie is. We zijn op het Theeveld, het is zondag. De tweede dag van Dichters in de Prinsentuin, om precies te zijn. “Dat taal stiekem toch heel mooi speelgoed is, en dat veel mensen dat zijn verloren.” Taal als speelgoed: dat is misschien nog wel de beste samenvatting van Peters’ poëzie. Zijn gedichten zijn helder en vrolijk – zo vrolijk dat een liedje voor een kindermusical werd afgekeurd omdat het niet droevig genoeg was. Uit elke regel spreekt het taalplezier. Zelfs als hij afscheid neemt blijft de toon licht: geen bedankt, maar een simpel “Dank je wel voor het luisteren!”

Maar dit eerste blok is er nog veel meer te zien en te horen op het Theeveld. Bernke Klein Zandvoort onderzoekt in haar poëzie zaken als klanken en tijd. Norbert De Beule wint de tuin voor zich met een verrassende en geestige serie zelfportretten, aan de hand van verschillende thema’s. Zo vertelt hij over zijn dichterschap: “Ik volgde een cursus poëzie, weet  ik ook hoe dat werkt.” Tenslotte sluit Roelof ten Napel dit eerste blok af met poëzie die ik vooral nog eens wil teruglezen.

Kasper Peters

In de loofgangen staan ook vandaag weer genoeg interessante dichters klaar. Eugene Rudo Walker staat als een soort gids tussen het publiek. Hij orakelt behoorlijk klassieke gedichten met veel eindrijm en archaïsche woorden als “ginder”, maar ook met enorm veel aantrekkingskracht. In een gedicht over windmolens weet hij met frisse beelden te beschrijven hoe een bezorgde Groninger deze “monsters” waarneemt. Even verderop staat Martje Weijers met poëzie waarin ze de natuur op z’n kop zet. Zo heeft ze wat ze zelf haar “plantenrant” noemt: een gedicht vanuit het perspectief van een plantenhater, die bang is dat de planten met hun woekerende wortels en giftige stekels de wereld zullen overnemen. Het is heerlijk ironisch, met regels als: “Probeer je de natuur te bewonderen, staat er bijna altijd wel een boom voor.” Elice de Gier maakt van haar voordracht een performance waarbij ze haar hele lichaam gebruikt en haar publiek zo direct aanspreekt dat het – in combinatie met de kritische toon van haar poëzie – behoorlijk ongemakkelijk wordt. Maar het lijkt juist dat ongemak te zijn dat ze zoekt. Ik ben heel benieuwd hoe ze overkomt op een grote podium.

Eugene Rudo Walker

Terug op het Theeveld oogst Wiel Kusters vrijwel meteen groot applaus door op te merken dat Groningen-Maastricht een belangrijke culturele as van Nederland is. Maar ook zijn poëzie, waarin vaak alledaagse voorwerpen symbool worden voor iets veel groters, kan op grote waardering van de Tuin rekenen. Het publiek blijkt bovendien zeer behulpzaam: Kusters wil het gedicht Vlag voordragen, maar vergeet de tekst na de eerste strofe. Gelukkig komt een behulpzame man uit het publiek de tekst op zijn smartphone brengen. K. Michel weet vooral te charmeren met zijn humoristische toon, zoals in het gedicht Daaag dat gaat over “een merkwaardig concept of idee of hoe je het ook maar wil noemen: het hiernamaals.” Asis Aynan en Anne Vegter brengen samen gedichten uit de Rif, die in vertaling verschenen in Aynans serie De Berberbibliotheek. En al komen de gedichten van ver, ze gaan nog steeds op herkenbare wijze over opgroeien, ontwikkelende liefde en de hekel die je soms aan het leven kunt hebben. Aynan leest het eerste gedicht voor met af en toe een regel in de oorspronkelijke taal tussendoor, wat het optreden nog meer kleur geeft. Als laatste betreedt Hanneke van Eijken het veld, met een verzameling gedichten over verscheidende thema’s, die ze in haar poëzie nauwgezet onderzoekt.

Wiel Kusters en de telefoon van Harry van Velsen

De laatste ronde door de loofgangen brengt mij vooral bij jong dichttalent. Groningen is behoorlijk sterk vertegenwoordigd, met zowel Richard Nobbe als Anna Dijk. Richards stem buldert zo door de gang dat hij zodra ik de hoek om kom al te horen is. Anna Dijk houdt het kleiner, zowel in haar voordracht als in haar poëzie. Haar gedichten zijn kleine verhaaltjes die doodnormaal over (licht tot iets minder licht) absurde dingen vertellen. Even verderop staat jong talent uit het zuiden: Elianne van Elderen. Ze trekt me binnen met een korte cyclus het verdwijnen van een geliefde waarbij het hele verhaal in slechts enkele goedgekozen handelingen verteld wordt. Haar gedichten hangen samen uit personages met een bijzondere spanning tussen haten en liefhebben in, waarvan het vooral knap is dat ze deze in enkel deze handeling zo scherp weet te schetsen.

Tenslotte eindigen we op het Theeveld met enkele grote namen, die absoluut niet teleurstellen. Edward van de Vendel leest voor uit zijn enorm praktische bundel Wat je moet doen als je over een nijlpaard struikelt, waarin hij voor vijfentwintig situaties precies uitlegt wat je moet doen. Het is een absoluut feest om naar te luisteren, vooral doordat Van de Vendel ieder gedicht vertelt alsof het een spannend verhaal is. Hierna is er een kort extra optreden van Dorien De Vylder. Haar gedichten over de liefde en water zijn sober maar nodigen uit tot meer. Sabine van den Berg schreef nu voor het eerst een poëziebundel in plaats van romans, om de lezer meer ruimte voor eigen invulling te gunnen. Toch blijft de narratief duidelijk staan, met een ontredderde en boze puber als vertelstem. Mischa Andriessen brengt ons zachte droefenis, met gedichten over een ouder die zijn kind is verloren op zee. Het is een acht minutenlang ademloos voelen.

Edward van de Vendel

Dichters in de Prinsentuin 2019 wordt afgesloten door Anne Vegter. Maar niet voordat Jelte Posthumus – die dit festival met zijn humor, enthousiasme en boeiende opmerkingen ongetwijfeld tot een nog groter succes heeft gemaakt – haar uitgebreid bevraagd heeft over haar verhouding met het thema geëngageerde poëzie. Voor Vegter zijn vooral de nieuwe denkruimtes die er binnen de poëzie gecreëerd worden hierbij van belang. Toen ze nog Dichter des Vaderlands was zette ze juist deze nieuwe denkruimtes in om concrete gebeurtenissen op een andere manier te kunnen bekijken.

Nog voor één keer nawiegend in de denkruimtes die Anne Vegter zelf optuigt, kunnen we terugkijken op een interessant festival. Een festival met ruimte voor jong talent en gevestigde namen, voor vele gedachtes over wat poëzie kan, mag en moet zijn, maar bovenal voor taalplezier, klanken en stemmen.

Daniëlle Fluks is studente Nederlands, Biologie en Wijsbegeerte in Groningen. Ze was afgelopen jaar de hoofdredactrice van Literair Dispuut Flanors verenigingsblad De Literatief.

Foto’s: Reyer Boxem