Het is dag drie en het is warm. De lezer denkt nu wellicht “Nou weten we het wel, met die hittegolf”, maar ik kan het toch niet laten om het te noemen. De warmte is namelijk niet meer die brandende hitte van vrijdag en zaterdag, maar een broeiende warmte die loom maakt. Het is de laatste dag, en het publiek is duidelijk gedwongen tot ontspanning. Bijna verzadigd, misschien al, na twee volle dagen poëzie.

Toch is er vandaag zoveel te zien en te horen dat het eigenlijk zonde is om je in de schaduw van een aalbessenstruik te verstoppen. Op het theeveld trapt Joost Baars af, natuurlijk ingeleid door vaste presentator Klaas Knillis Hofstra, gevolgd door Michaël Vandebril. Dan komen de winnaars van Doe Maar Dicht Maar, Maaike Rijntjes en Henrike Vellinga. De twee meisjes in zomerjurken zijn ontwapenend maar tonen zich al podiumdichters. Maaike Rijntjes draagt een gedicht voor over Schrödingers kat “maar misschien wordt het te ingewikkeld om het allemaal uit te leggen”. Ze krijgt het publiek ermee aan het lachen. Henrike Vellinga bewaart de rust in haar optreden, durft mensen aan te kijken en heeft een prachtige stem om mee voor te dragen. Vellinga en Rijntjes moeten wel oppassen dat ze niet te veel aan elkaar gaan hangen: In de loofgangen staan ze met zijn twee voor hetzelfde venster, terwijl ze best allebei een eigen venster kunnen vullen.

Na de jonge dichteressen volgt Tsead Bruinja met gitarist/ elektonicamuziekmeneer Jaap van Keulen. Deze vaste gast op Dichters in de Prinsentuin verzorgt het beste optreden van de hele dag – De klanken uit Van Keulens laptop en gitaar scheppen een sfeer die de poëzie van Bruinja ondersteunt maar er ook mee speelt. Het optreden van Tjitske Jansen met pianist Jeroen Zijlstra op zaterdag was voor mij al reden genoeg om meer samenwerking tussen poëzie en muziek te willen, maar Tsead Bruinja doet er nog een schepje bovenop. Later, in de loofgangen, moet Bruinja het zonder muzikale begeleiding doen, maar dat is geen probleem voor hem. Met gloed en vaart voert hij zijn publiek mee. Daar komt nog eens bij dat Bruinja naast in het Nederlands ook in het Fries dicht (wat me terugvoert naar de prachtige meertalige editie van dit festival vorig jaar). Ik kan niet anders dan vol lof zijn – volgend jaar weer en meer, graag.

In de loofgangen kom ik als eerst Rodaan Al Galidi tegen. Deze grote man moet wat vooroverbuigen om door het venstertje te passen, en hij draagt zijn gedichten ook wat zwaar voor. Ik houd daar niet zo van, maar later op het theeveld geeft Al Galidi een lichtere voordracht met humor, wat me wat milder stemt. Deze man is niet bang om Nederlanders een plagerige tik te geven, bijvoorbeeld in het gedicht over vergaderingen ( “De slaap is de vergadering van de Nederlander met zijn bed”), en dat is prettig en verfrissend. Wanneer ik doorloop stuit ik op een flinke opstopping bij, hoe kan het ook anders, Ingmar Heytze. Heytze kan als geen ander het publiek geboeid houden, aan het lachen maken. Verder opvallend in de loofgangen: Philip Rozema, een jonge Groningse dichter die ik al langer ken, maar die ik vanaf nu nog wat scherper in de gaten zal gaan houden. Hij leidt een gedicht in met: “Ik wilde een keer een vormgedicht schrijven, maar het klonk veel leuker dan het eruit zag.”. En inderdaad, het klinkt erg goed. Het beste vind ik het gedicht dat hij schreef over de introductieperiode van zijn studentenvereniging. Scherp, vindingrijk en verrassend.

Bij de tweede voordrachtenronde op het theeveld wordt de show gestolen door Sylvie Marie. Haar gedichten zijn muzikaal en humoristisch, ze heeft stukken die uitermate geschikt zijn voor publieksparticipatie (helaas zijn alle Groningse grashangers te warm en daarom te duf om mee te doen). Bij de boekenstand van Godert Walter hoor ik later mensen zeggen “Ik moet in ieder geval die bundel van die Vlaamse dichteres hebben”, en daar ben ik het grondig mee eens. Aan het einde van het blok is het even omschakelen naar de sprookjesgedichten van Bas Belleman. Iedereen kent de verhalen, wat de aandacht richt op de taal die Belleman gebruikt om ze opnieuw te vertellen. Hoewel ik niet weet of ik zijn sprookjesbundel tot het rijk der poëzie kan rekenen, Belleman heeft een verdiende plaats op dit festival, want in deze lomigheid is het een luxe om zo voorgelezen te worden, en Belleman is een fantastische verteller.

Ook in de loofgangen is Belleman populair met zijn vertelling van Repelsteeltje. In de sprookjesachtige Prinsentuin, tussen al het sappige zomergroen, komen zulke gedichten natuurlijk bijzonder goed tot hun hun recht. Even verderop staat Akim A.J. Willems (wel wat luid) een bijzonder klankenspel voor te dragen. Een stuk ingetogener is de charmante Kira Wuck, die met een lieve glimlach twee kleine meisjes op een gedicht trakteert. Ieder nieuw venster is eigenlijk een kleine verrassing, want al die dichters zijn verschillend. Het blijft intiem om een gedicht speciaal voor jou voorgedragen te krijgen in de schaduw.

Op het theeveld mogen we juist weer samen luisteren naar Wuck, Al Galidi, Annemieke Gerrist en, als waardige afsluiter, Ingmar Heytze. Dan volgen dankwoorden van de organisatie, aan dichters, publiek, vrijwilligers, en specifiek aan Arjen Nolles, die de organisatie zal verlaten na 10 jaar dit soort prachtige festivals te hebben georganiseerd. Ik ben zo’n vrijwilliger, en aan het einde van dit verslag vind ik dat ik ook wel dankwoorden mag doen: Dank aan de organisatie, dat ik deel uit mag maken van zo’n festival. Dank aan Groningen, waar zoiets moois helemaal op zijn plaats is. En dank aan iedereen die er was, dichters en andere gasten, die de hitte trotseerden. Poëzie heeft geen betere tijd en plaats dan in zo’n zomer, in zo’n tuin, met al deze mensen.

En daarmee is het uit. Men klapt met lichte melancholie de stoeltjes op en begeeft zich naar de Souffleur, waar de traditionele afterparty wordt gehouden. En volgend jaar, dan mogen we weer.

Esmé van den Boom studeert Nederlands en Engels aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij is bestuurslid van Literair Dispuut Flanor, verslaggeefster bij 3voor12/Groningen en schrijft en zingt Nederlandstalige liedjes onder de naam Mees.

Foto’s: Olaf Otto.

Dichters in de Prinsentuin: Sprookjes en gedichten door vensters, in loofgangen en in loomheid

Geplaatst: wo, 23 juli 2014