Een nieuwe redactie, een nieuw begin, zou je denken. Maar het nieuwe gezicht van Dichters in de Prinsentuin weet wel beter en vernieuwt het festival stapje voor stapje, zo blijkt. Het format verschilt nauwelijks van eerdere jaren, alleen het naborrelen bij de Souffleur is geloosd. Daarvoor in de plaats is nog een dagdeel Dichters in de Prinsentuin gekomen. Daarover straks meer. Het lijkt een nieuwe traditie om buitenlandse dichters naar Groningen te halen die hun werk voordragen, begeleid door speciaal voor het festival gemaakte vertalingen. Dat was vrijdag. Het theeveld- en loofgangenritueel blijft voor de zaterdag en de zondag.

Het meeste keek ik uit naar de zondagmiddag, want de redactie had een aantal parels uit de Nederlandse literatuur weten te strikken. Vooral de heilige drie-eenheid Ben Zwaal, F. van Dixhoorn en Astrid Lampe, namen die je niet heel vaak voorbij ziet komen op een programma-affiche, lieten horen dat ze nog steeds erg relevante dichters zijn, nadat het blok luidruchtig en meeslepend werd geopend door Andy Fierens, de omroeper die de oren van de toehoorders goed uitwaste zodat het trio dichters daarna met hun moeilijk toegankelijke poëzie het publiek volledig murw kon maken. Zwaal deed dat met zijn gebroken zinnen en kortere gedichten, Lampe combineerde een gebroken taal met springende associaties en ongebruikelijke beelden. Het was ook goed opletten bij de poëzie van Van Dixhoorn die paradoxaal genoeg door veel herhaling gekenmerkt wordt. De meeste tijd ruimde hij – goddank! – in voor (een variant op?) het gedicht ‘Jaagpad’ uit zijn debuutbundel. Myrte Leffring trok de geïnteresseerden weer uit de metafysische wolk met haar aansprekende en lieflijke gedichten.

Voor dit spectaculaire deel van de programmering was er al een ander blok op het theeveld en een ronde in de loofgangen geweest. Oud-festivalorganisator Arjen Nolles mocht de zondagmiddag openen, en liet goede gedichten horen die duidelijk gebonden zijn aan de omgeving van Groningen en het Groningse platteland, maar op regelmatige momenten die context juist ontstijgen. Standplaatsgebondenheid is misschien wel de beste thematische koppeling tussen de dichters uit het eerste blok: Frank Keizer (als Frans Keizer geïntroduceerd door de presentator die zijn feitjes en biootjes (nog steeds!) niet helemaal op een rij bleek te hebben) en Amsterdam-Noord, Rik Andreae en Groningen, Duitse dichters en Ost-Friesland.

 

Het derde, afsluitende blok op het theeveld staat ook als een huis. Niet alleen Lies van Gasse imponeert, maar vooral Charlotte Mutsaers en (‘hekkensluiter’) Nyk de Vries. Mutsaers is misschien wel een grootste parel die de redactie heeft weten te krijgen voor het festival, en half verward, half klunzig praat ze haar genaakbare poëzie over bijvoorbeeld Ensor aaneen, tot vermaak van het publiek. De Vries maakt er eveneens een act van door gortdroge anekdotes te vertellen voordat hij aan zijn zeer korte verhaalgedichtprozapoëzie begint.

Ik las vandaag in de Volkskrant dat Joost Oomen (organisator) stelde dat Dichters in de Prinsentuin ‘niet zo highbrow’ is, maar op basis van de zondagmiddag op het theeveld kan ik dat tegenspreken: het merendeel van de auteurs in de drie blokjes zijn geen gemakkelijk te begrijpen dichters door hun taalspel en dubbelzinnigheden. Hun werk moet je meermaals lezen om dieper door te kunnen dringen en dan ben je er waarschijnlijk nog niet. De dichters in de loofgangen boden daarom de nodige variatie: sommige dichters van het theeveld droegen wederom voor, maar ook onbekende dichters lieten van zich horen die toch veel gemakkelijker te begrijpen verzen reciteerden. Hou van hen vooral J.V. Neylen en Tom Marien in de gaten, daar gaan we hopelijk nog meer van horen.

De regen heeft goddank de dag niet verpest, al leek het daar in het begin wel op. Er was echter helemaal geen ruimte voor regen met al die goede poëzie die in de Prinsentuin rond zwierf. Die flux ging mee richting de Puddingfabriek waar het festival afgesloten werd met een onderdeel over dode dichters, als Vondel en Hadewijch. Dat onderdeel herinnerde aan een hele memorabele editie van Kantoorpoëzie anderhalf jaar eerder waar onder meer Reve, Plath en Couperus weer tot leven gewekt werden. Afsluiter vormde Jules Deelder (zaterdag nog als Jules Daalder benoemd) met zijn jazzband. De Deeldeliers lieten de aanwezigen anderhalf uur lang lekker losgaan op groovy muziek en de typische Deelder-achtige gedichten. Zette ik tijden geleden nog vraagtekens bij de poëzie van Deelder, vanavond viel dat mee, want de combinatie jazz en poëzie werkte erg goed. Een juiste mix van woord en muziek. Daarna was het nog niet gedaan met de muziek, want Deelder draaide nog wat plaatjes totdat hij afgelost werd door Joost Oomen zelf en Daan Doesborgh die zijn plaatjesdraaidebuut maakte. Er werd tot ver in de nacht gedanst, terwijl anderen buiten bij de vuurkorf het festival evalueerden.

Geschreven door: Obe Alkema hij is student, dichter, recensent en redacteur.
Foto’s: Olaf Otto

Tijdens de 18e editie van Dichters in de Prinsentuin deed een drietal jonge recensenten verslag van het festival. Dat leverde verslagen op over de vrijdagavond, de zaterdagmiddag, de zaterdagavond en de zondagmiddag en avond.

Aankondigingen en verslagen van/ over het festival stonden ook in de NRCnext, de Telegraaf, Trouw, het Dagblad van het Noorden en de de Volkskrant.

Op het internet verschenen fotoreportages bij Tzum, Stormblast1953, Focus Groningen en Annie Postma.

Filmpjes werden gemaakt door Klaas Mulder en OOG-TV