Het Theeveld in de Prinsentuin zit vol. Zo vol zie je het maar eens per jaar. Vandaag is de laatste dag van Dichters in de Prinsentuin en daar willen de bezoekers nog even goed gebruik van maken. De mensen hebben waaiers en koele drankjes bij de hand tegen de drukkende warmte. Hoe langer je rondkijkt in het publiek, hoe meer mensen je herkent – zo wordt Philip Rozema gesignaleerd, OOGTV-historicus Beno Hofman en voorzitter Anna Dijk van Literair Dispuut Flanor. Dan klinkt er een stem uit de microfoon en de boxen. Het geroezemoes verstomt en alle ogen gaan naar voren.

De opening staat als een huis. Dichters Jean Pierre Rawie, Martin Reints, Hannah van Binsbergen en Maarten Inghels bijten stuk voor stuk in stijl het spits af, waarbij Reints fijntjes wijst op het in elkaar zetten van een dergelijk optreden: “Het is gebruikelijk om, voordat je begint, iets te zeggen wat niets met dichten te maken heeft. Ik weet even niks, dus begin ik maar gewoon.”
Hannah van Binsbergen, die nog maar een maand geleden debuteerde en nu al hier staat, plaatst de ene rake zin na de andere. Wanneer ik gniffel om haar vrolijke humor, merk ik dat ik de enige ben: men is te druk met aandachtig luisteren om niets te missen. Rawie betrekt, niet onbelangrijk, de actualiteit in zijn poëzie en sluit af met een gedicht over ISIS. Maarten Inghels’ gedicht Een huis van lucht, ter plaatse opgedragen aan de Groninger daklozenkrant De Riepe, wordt ontvangen met donderend applaus.

In de loofgangen verloopt alles volgens het aloude, goed werkende systeem: de dichters dragen voor vanachter een opening in de heg en het publiek loopt in groepjes langs. Een enkeling trekt de stoute schoenen aan en loopt binnendoor naar de overkant, in plaats van buitenom. Aha, dat mag dus ook, zie je omstanders denken, die hem na enig aarzelen volgen. Het zonlicht speelt met de blaadjes in de loofgangen – bijna zou je vergeten dat je hier niet voor de idyllische Prinsentuin zelf gekomen bent.

Het thema van het festival is dit jaar De Branie, en branie is er genoeg. Branie betekent durf, zelfvertrouwen, onverschrokkenheid. Die branie zien we bijvoorbeeld terug in Van Binsbergen, die nog maar een maand geleden debuteerde en nu al hier staat. Sanja Šimunić durft eveneens: ze draagt een gedicht voor in zowel het Nederlands als het Servo-Kroatisch, de taal van haar vader. Branie is de introductie van Jonathan Griffioen, die in plaats van pretentieuze plechtigheden kiest voor een kordaat: “Hallo.” Punt. Branie is ook: het naar buiten laten van je innerlijke kind, zoals Erik Jan Harmens onbeschaamd en spelenderwijs doet bij het voordragen uit zijn verzameling gedichten rondom het thema Circus. Of het depressiedicht van Daniël Dee, een raak en persoonlijk relaas met het klinkende citaat: “Zelfdoding is niet hetzelfde als doodsverlangen, maar de onmogelijkheid om voort te bestaan.” Branie kan snel verward worden met arrogantie, maar daar was nergens sprake van – de atmosfeer was steeds rustig en open, iedereen maakte ruimte voor elkaar.

Vlak naast het theeveld staat een kraampje met een bord ernaast, waarop groot te lezen is: “Wat zegt de onderbuik?” Deze vraag wordt aan bezoekers gesteld, waarna een groot manifest samengesteld wordt uit al hun antwoorden, getiteld De onderbuik spreekt. Er zitten zowel uiterst diepzinnige opmerkingen in als de zin “Ik wil naar huis en een raket eten.” Kijk, dat zijn nog eens prioriteiten. Over eten gesproken: het theehuisje wordt druk bezocht. Men haalt er niet alleen koude drankjes, maar ook watermeloen in bakjes – wat een goed idee voor dit weer. Een dame naast mij koopt spontaan een appelsapje voor me, omdat ze dat zo gezellig vindt; een voorbeeld van de opgewekte en toegankelijke sfeer die er al de hele middag hangt. De aanwezige kinderen smullen van cake; eentje fluistert me toe: “Dit is mijn derde al” .

Wanneer er een wisseling plaatsvindt tussen loofgangen en theeveld, zet Joost Oomen een keel op, zoals we hem bij eigen optredens wel eens zien doen. “LAATSTE GEDICHT!” klinkt het dan tot achterin de heggen. Als hij echter voordraagt uit Hans Sleutelaars werk, die wegens ziekte helaas zelf afwezig is, is hij rustig. Sleutelaar maakt gebruik van rijm. En het werkt, zonder geforceerd over te komen – misschien is deze auteur een van de weinigen die dit kan. Dan begint Oomen aan het gedicht Zwemles en roept luid: “Spreiden!” “Sluiten!” – ha, daar is hij weer.
Soms zijn dichters zo poëtisch dat je niet goed weet waar het gedicht begint of eindigt. De ene dichter lijkt te praten in gedichten. De andere last lange pauzes in na elke drie voorgedragen woorden, waarvan je denkt: “… Tja, wat nu?” Weer een ander laat een gedachtestroom horen die zo minutieus in elkaar is gezet, dat je je afvraagt of hij/zij dit ter plekke allemaal weet of van tevoren opgeschreven heeft en toen ook nog heeft onthouden.

Het hoogtepunt van het festival (en wie weet wel het hoogtepunt van branie) was voor velen echter wat er na het optreden van Bram van Harlingen (pseudoniem van Raymond Haans) gebeurde. De poëet deed aan het einde van een liefdesgedicht, opgedragen aan zijn vriendin Esther Porcelijn, een huwelijksaanzoek. Hij deed dit op het theeveld, in het bijzijn van alle toeschouwers. Zelf legde Van Harlingen uit dat ze het al over trouwen hadden gehad, en dat zij toen over het aanzoek had gezegd: “Verras me maar.” Omdat ze van hem wist dat hij zoiets nooit in het openbaar zou doen, was de keuze voor Van Harlingen snel gemaakt. Twee dichters gaan trouwen, romantischer kan het bijna niet.

Al met al is dit een veelzijdige, gedurfde en geslaagde laatste dag van het festival. De organisatoren zijn overal tegelijk en rennen van hot naar her, maar stellen zich nooit echt op de voorgrond; die plaats behoort toe aan degenen die voordragen. Tot aan het einde – tijdens het bedankpraatje van Joost Oomen worden alle mensen die de optredens van deze schitterende selectie dichters mogelijk hebben gemaakt, even in het zonnetje gezet. Het publiek is zo tevreden, dat een groot deel na afloop nog een tijd blijft om na te praten. Met die ene goede dichter, met een bekende die gespot is, of met een welverdiend bakje watermeloen in de hand.

Rachel Raetzer (20) is derdejaars studente Europese Talen en Culturen. Ze maakte dit jaar en vorig jaar deel uit van de hoofdredactie van Literair Dispuut Flanors verenigingsblad,Literatief. Daarnaast schrijft ze gedichten, waar ze mee optreedt.

Foto’s: Henk Veenstra